woensdag 27 juli 2022

risico en disproportionaliteit

 

Omgaan met risico

De coronacrisis heeft ons enorm veel getoond over hoe mensen omgaan met risico. Dat laatste is één van de meest complexe zaken in de moderne maatschappij. We kunnen proberen de objectieve hoeveelheid risico in de maatschappij en de houding van mensen tegenover risico te onderscheiden. Dit roept echter al meer vragen op dan beantwoord kunnen worden in een lijvig boek. Hoe zouden we risico meten? En zijn risico’s steeds vergelijkbaar? Wat met catastrofale risico’s? Hoe operationaliseren we risico-afkerigheid?...

In discussies over de evaluatie van het gevoerde coronabeleid komt het probleem van silo’s tussen disciplines duidelijk naar boven. Er is een uitgebreide literatuur over hoe omgaan met risico’s maar daarmee blijken velen niet vertrouwd. De coronacrisis heeft getoond hoe vaak echte interdisciplinariteit nog te vaak een slogan is in plaats van een realiteit. Ook dat hoort nu aan bod te komen in een periode dat we tijd kunnen nemen voor reflectie over de evaluatie van het coronabeheer. Aan begin van de corona-epidemie was er te weinig tijd en te weinig kennis om alle relevante perspectieven mee te wegen in het beleid. Economen maken een onderscheid tussen risico en onzekerheid. Het tweede impliceert dat men zelfs niet meer kan inschatten welke risico's er in het spel zijn. Later is daar echter al minder begrip voor op te brengen. En naar de toekomst hebben we verdorie de plicht te tonen dat we leren uit onze ervaringen. Het wordt te weinig gezegd dat we echt bij momenten moeten spreken over hysterie. Iedereen kan zijn eigen inschatting maken over hoe groot is dat we in de nabije toekomst opnieuw in dergelijke fuik terechtkomen waar het rationeel afwegen van risico’s onder druk komt.

Meten van risico

Modellen horen vaak bij de wetenschap omdat ze toelaten om heel complexe processen te vereenvoudigen en zo complexiteit beheersbaar te maken. In een boekje van 2016 pleit de econoom Dani Rodrik dat soms een heel eenvoudige modellen de voorkeur genieten terwijl in een andere context de toevlucht wel moet genomen worden tot erg gesofisticeerde complexe modellen. Het punt dat ik net als Rodrik hierbij wil benadrukken is dat het menselijk oordeel vergt om in te schatten wat op welk moment het meest gepast is. Het is vandaag ongeduldig wachten op het moment dat deze discussie ook zichtbaarder wordt over onder andere de biostatistische coronamodellen. Niet zelden zagen we dat de resultaten van dergelijke modellen bijna vastgelegd werden door een bepaalde assumptie over de effectiviteit van een “beperkende coronamaatregel”. Als men over die effectiviteit in feite heel weinig empirische robuuste evidentie heeft, dan rijst de vraag in welke mate we niet met circulaire redeneringen zitten waarbij het resultaat uiteindelijke verondersteld wordt in plaats van “berekend”.

Reflectie en kritiek

Recent voerde ik een debat over de coronacrisis met professor Erika Vlieghe die opmerkte dat ze persoonlijk intimiderende en haatvolle berichten ontving. Uiteraard past alleen maar totale verwerping van haat en intimidatie. In Nederland waren er economen die probeerden een rationeel debat te voeren over hoe we omgingen met gezondheidseconomische evaluatie in coronacontext rond de maatschappelijke kost per kwaliteitsvol levensjaar. De berekening van het aantal verloren gezonde levensjaren op een heel leven bij kinderen die leerachterstand opliepen in de coronacrisis deed met name veel stof opwaaien. Zij mochten evengoed intimiderende berichten ontvangen in die mate dat ze op advies van de veiligheidsdiensten zich terugtrokken uit het publiek debat. Wat we nodig hebben is (zelf-)reflectie en kritische evaluatie over hoe we omgaan met risico’s en onzekerheid. Niemand beweert dat het eenvoudig is maar de discussie uit de weg gaan is in elk geval onverantwoordelijk.

Risicoafkerigheid

Los van het (vaak zelfs nu nog onmogelijk gemaakte) coronadebat, stellen er zich brede vragen over hoe onze maatschappij omgaat met risico’s. Wat we weten over sommige risico's komt vaak van experts en wetenschappers met gespecialiseerde kennis, niet door directe eigen ervaring. Ook de verhoogde afhankelijkheid van experts in onze maatschappij stelt zijn eigen uitdagingen. Niet alleen hoe we in een democratie correct expertise benutten (denk aan de discussie over de samenstelling van expertcommissies) maar ook hoe het vertrouwen van de bevolking in expertise niet verloren geraakt.

We moeten er mensen op wijzen dat in vele dimensies ons leven ook vaak veiliger is geworden. Denk alleen al aan de hoge levens(duur)verwachting. Angst is geen goede raadgever maar helaas worden meer en meer debatten er vandaag door bemoeilijkt. Het ijkpunt daarbij blijft dat we ethisch best zo lucide en rationeel mogelijk omgaan met de kosten en baten van veiligheidsbeleid in alle domeinen. Het is geen verwijt maar een vaststelling dat disproportionele maatregelen een hoge maatschappelijke kost kunnen opleveren. In sommige domeinen zijn we gewoon blind voor die realiteit en dan kan rationale discussie een oplossing bieden. Het wordt echter problematisch als in zogenaamde gevoelige domeinen de nuchtere analyse buiten de bandbreedte valt van het (toegelaten) maatschappelijk debat. Er blijft een grote waarde zitten in het voorschrift van een koel hoofd en een warm hart, zeker ook in domeinen waar terecht grote zorgen rond bestaan.

Ivan Van de Cloot hoofdeconoom Itinera ­Institute en auteur van het boek “Overheid+ Markt, het beste van beide werelden”

 

 

 

 

 

woensdag 22 juni 2022

Burgerparticipatie, enkel voor de bühne?

Burgerparticipatie, enkel voor de bühne?

We stellen ons allemaal de vraag hoe we onze democratie opnieuw meer levenskracht kunnen geven. De particratie heeft zich heel goed bedeeld met de partijfinanciering. Tegelijkertijd voelen veel burgers zich nauwelijks vertegenwoordigd of betrokken.

Een belangrijke piste is burgerparticipatie. De creativiteit daarrond viert hoogtij. Participatieve, deliberatieve of aleatorische democratie zijn onderling fundamenteel verschillend.

Worden die burgerparticpatieprocessen echter werkelijk gebruikt met doel en praktisering zoals ze aangekondigd worden. Of werkt het in de praktijk toch wel eens anders uit? Het is in deze fase dat burgerparticipatie ook soms een industrie is geworden die zich als een olievlek verspreid over gemeenten, provinciebesturen, regio’s… wel gepast dat er gekeken wordt naar inconsistenties in de praktijk.

Een gevalstudie

De stad Gent is een grote trekker van burgerparticipatie. Tot er dan iets voorvalt waar burgers zich echt zorgen over maken. Zoals de centralisering de verschillende federale & lokale politiediensten in het vernieuwde complex van de politiekazerne in de Groendreef te Gent (1).  Het is bijna onvermijdelijk dat er hierbij bezorgde buren zijn die bijvoorbeeld bezorgd zijn over het rustige karakter van een buurt waar nu kinderen op straat kunnen spelen. Denk maar aan geluidsoverlast door sirenes en een pak meer verkeer. Buren hebben contact gelegd met de regie der gebouwen en de wijkagent. Echte inspraakmoment blijken er dan echter niet voorzien. Enkel informatieve sessies met geen plaats voor dialoog of vraagstelling. De vragen om de haalbaarheidsstudie in te zien worden afgewimpeld met het antwoord dat die geheim is tot de beslissing is gevallen. Er is geen sprake van openbare onderzoeken, laat staan informatieverstrekking in die richting. In een materie die toch net erg vatbaar zou moeten zijn voor burgerparticipatie, is dit toch wel opmerkelijk.

Ook op voorstellen van burgers van redelijke alternatieven komt geen antwoord. Uiteraard is het in dergelijke gevallen evengoed een probleem dat er NIMBY-fenomenen spelen waarbij mensen er niet in slagen het algemeen belang van een beslissing te accepteren. Het gaat er niet om hier een evaluatie te maken van de merite van het project van centralisering en locatie in de specifieke context van Gent.

Wel om te observeren dat voor een Gents bestuur dat "haar inwoners actief wil betrekken bij het beleid, een participatieve democratie waardig" en principieel kiest voor "voor opbouw van onderuit, zowel bij het opmaken als bij het uitvoeren van het beleid.", zoals te lezen valt in het eerste inhoudelijke hoofdstuk van het bestuursakkoord 2019-2024, p8,  het opvallend is dat de kloof met de belofte van burgerparticipatie en de concrete realiteit toch groot blijft.

Legitimiteit

Legitimiteit komt in drie uiteenlopende maar samenhangende gedaanten: input-, throughput- en outputlegitimiteit6 . Doet de overheid wat we van haar verwachten (output)? Komen de politieke beslissingen tot stand op een legitieme manier (throughput)? En voelen wij ons vertegenwoordigd en gehoord door de politiek (input) (2)?

Democratie wordt te vaak verengd tot burgerparticipatie aan de inputzijde. En zelfs dan gaat het vaak om de numerieke zijde, om quota, terwijl het punt van politieke ongelijkheid is dat de politieke agenda geen goede afspiegeling is van wat er leeft in de diverse groepen in onze samenleving. Slaagt het systeem erin om diezelfde burger ook op het terrein effectief openbare diensten en publieke goederen aan te bieden? De burger – als betrokken (affected) partij én als expert – wordt in de throughputfase stiefmoederlijk behandeld. Over de betrokkenheid van de burger bij evaluatie en bij het afleggen van rekenschap na de outputfase kunnen we beter zedig zwijgen.

Burgerparticipatie heeft als idee zeker enige merite. Iedereen die het een warm hart toedraagt, moet dan vooral ook waakzaam zijn voor excessen (3). Wat doen bv. gemeenten die een consultant inschakelen voor burgerparticipatie en vaststellen dat er van de 20 inschrijvingen slechts 10 opdagen. Wat is de meerwaarde van dergelijke oefeningen die alleen de meest betrokken of activistische burgers mobiliseren? In welke mate kan hiermee aan de slag gegaan worden tegenover de rest van de bevolking? Ook de financiële incentives voor de gemeenten kunnen een problematische rol spelen. Als bijvoorbeeld de rekening toch mag doorgestuurd worden naar de Vlaamse overheid is er al direct minder responsabilisering bij de gemeente om hier ernstig mee om te gaan?

(1)   Project Federale Politiesite Groendreef | Stad Gent

(2)   https://www.itinera.team/sites/default/files/content-documents/Politieke%20vernieuwing.pdf

Ivan Van de Cloot, 2020

 

dinsdag 31 mei 2022

r

 We end by alluding to an implication of the argument of this paper that economics and biomedical science need to be brought together for an improved understanding of pandemics. For example, in the UK while science has played an integral part of the evidence considered when developing policy (Brooks-Pollock et al., 2021), there has been a distinct lack of representation from the economics research community in the various advisory bodies.6 As a result, the evidence presented to government has focused solely on the likely impact of control policies, e.g., closure on schools, contact tracing, on limited health outcomes, numbers of cases, hospital admissions and deaths. However, as we have argued throughout this paper, pandemics do not just make people sick—they affect the entire economy as people adapt and adjust to these new risks. Identifying strategies to manage future pandemics cost-effectively, it is vital that evidence presented to policy makers takes into account these complex interactions between different systems. The key challenge is building strong relationships between the economics and epidemiology modelling communities to ensure better representation on government advisory panels for future pandemics.

vrijdag 20 mei 2022

Voedselrisico’s

 

Voedselrisico’s

Sommige lezers herinneren nog dat ik in 2014 het boek Roekeloos publiceerde dat de analyse maakte over de systemische zwaktes van het financieel stelsel. Na de dissectie van de falingen van de systeembanken ging de tweede helft van het boek over de schuldencrisis van de overheden. De analyse was toen al dat de roekeloosheid van centrale banken veel risicovol gedrag stimuleren door hun goedkoopgeldbeleid. De hoge inflatie vandaag kan daar helaas niet los van gezien worden.

De excessen in de markt worden inderdaad vaak mogelijk gemaakt en nog opgejaagd door te soepel monetair beleid. De crisis van de voedselprijzen heeft echter ook naar analogie met de bankencrisis een meer systemische kant. Kritische economen maken de analyse dat het financieel systeem leidt onder het probleem van “de lange keten”. Zeker als daardoor de moraliteit van verantwoordelijkheid verzwakt kan dat ziekelijk problematisch worden. Denk aan banken die voor 2008 rommelkredieten doorverkochten op een wijze dat niemand nog wist welk risico er bij de bron genomen werd. In tegenstelling tot het relatiebankieren waar Adam Smith als grondlegger van de economische wetenschap voor stond, waren we beland in wat ik noemde de “transactiegebaseerd” financieel kapitalisme. Kort gezegd een rit “van relatiebankieren naar transactiebankieren”.

Robuust voedselsysteem

Over naar de voedselsector. George Monbiot van de Guardian stelt in zijn nieuw boek “Regenesis: Feeding the World without Devouring the Planet” dat er ook in het voedingstelsel een structurele en reeds lang groeiende systeemcrisis aan het woeden is. Waar ik hem volg is dat het steeds opletten is voor ontsporingen omdat de menselijke overmoed ons nu eenmaal vaak parten speelt. Dit gekoppeld met cognitieve verblindingen van allerlei aard.

Als er over onze voedselbevoorrading zelfgenoegzaamheid en overmoed bestaat, dan heeft die blindheid wellicht zijn wortels in het idee dat er zoveel decennia een dalende tendens was bij het aantal ondervoede mensen op wereldschaal. Die curve kan velen in slaap gewiegd hebben. Critici stellen dat kenmerken die het voedselstelsel minder kwetsbaar maken op belangrijke knooppunten verzwakt zijn. In plaats is een grotere convergentie en synchronisatie van  bedrijfsstrategieën gekomen. Minder redundantie, modulariteit  en backupsystemen dus. Volgens een bepaalde benadering controleren vier mastodonten tot 90% van de mondiale graanhandel.

De kernvraag is of ons voedselsysteem robuust is. Op dit moment lijkt het toch gerechtvaardigd te zijn om te stellen dat het dit in de grotere mate is dan veel andere systemen. Het heeft zeker een veerkracht want ook tijdens de coronacrisis is er steeds een aanbod geweest ondanks vragen daarover. Uiteraard is het een complex systeem wat dus zwakke plekken kan bevatten zonder dat we ze gemakkelijk weten te identificeren. Een betrouwbaar systeem bevat redundantie wat betekent dat er duplicatie is ingebouwd zodat er bij falen een terugvalpositie is. Om de fragiliteit van een systeem te reduceren mag het falen op een bepaald punt niet het hele netwerk bedreigen. Dit impliceert economisch typisch best een diversiteit aan zakenmodellen. In de financiële crisis waren te veel banken op exact dezelfde wijze bezig.

Er zijn tendensen van eenzijdigheid met een afnemend divers ecosysteem inzake voedsel. Evengoed moet ook gesteld worden dat er voor veel voedingselementen ook ruime alternatieven bestaan.

Bevoorrading: Westen versus de rest

Persoonlijk denk dat we zeker waakzaam dienen te zijn voor boven beschreven risico’s. Het Westen lijkt minder kwetsbaar te zijn in zijn voedselsysteem dan andere delen van de wereld (1). De coronacrisis toonde paradoxaal echter ook aan dat internationale handel als een buffer kan functioneren waarbij een tekort op één continent gelenigd kan worden door aanbod komende van een ander continent. Met name lijkt Europa hier een groot voordeel uit te halen maar een continent als Afrika dat op zoveel wijzen al fragiel is, veel minder (2). Uiteraard ondervinden we in de Europese Unie ook problemen van stijgende voedselprijzen door de combinatie van de pandemie en vooral de invasie van Oekraïne. Dit betekent echter niet dat de markt niet werkt, in tegendeel. 

Wat landen in het Westen toch moet bezig houden is de mate dat de financialisering ook in de voedingssector kwetsbaarheden heeft binnengeloodst. Concentratie van de markt in slechts enkele sleutelspelers en te hoge schuldposities blijken dan ook de kwetsbare plekken die niet onderschat mogen worden. Een van de meest frustrerende elementen van de bankencrisis was dat de bevolking dacht dat gegeven haar belang problematische ontwikkelingen in financiële sector toch wel ernstig en kritisch opgevolgd worden. Gegeven het belang van de voedselsector voor de mens zou het erg zijn, moesten we tot de ontnuchtering komen dat het risico voor een voedselcrisis op wereldschaal onvoldoende geanticipeerd wordt.

Betaalbaarheid

Om de betaalbaarheidscrisis voor de hele wereld aan te pakken, is het belangrijk dat het conflict met Rusland niet inhoudt dat het landbouwareaal van Oekraïne voor een lange termijn onbeschikbaar blijft. Een van de kwetsbaarste punten, ook in het Westen, is de beschikbaarheid van kunstmest. Volgens de Green Markets North America Fertilizer Price Index zijn de kunstmestprijzen bijna 150% hoger dan vorig jaar. Dit hoeft echter niet de voedselbevoorrading in het Westen te rantsoeneren. Onze voedselproductie is in Vlaanderen voor de helft afhankelijk van het gebruik van kunstmeststoffen. Indien dierlijke mest op een correcte manier bewerkt wordt, kan dit een aanvaardbare alternatief vormen voor chemische kunstmeststoffen. Daarvoor moet Vlaanderen wel bereid zijn om aan de EU te vragen de Nitraatrichtlijn aan te passen wat een meer circulair gebruik van dierlijke mest mogelijk maakt. Het is een voorbeeld van de wijze waarop flexibiliteit toelaat om de voedselbevoorrading te verzekeren. Europa lijkt nog marge te hebben vooraleer het zelf in een gevaarzone komt van voedselveiligheid. Wel zou het door wendbaar beleid zelf kunnen bijdragen aan het tegemoetkomen van zorgen over voedselvoorziening elders. In 2011 pleitte ik in het landbouwmagazine Landgenoten van VILT reeds voor meer prudentieel denken over landbouwbeleid met gepaste plaats voor buffers en afbouw van kwetsbaarheden. Zoals The Economist stelde, creëert momenteel de combinatie van tegenvallende oogsten in China door overvloedige regenval, hitte en droogte in India maar ook de VS en Afrika uitzonderlijke stress op het voedselsysteem. Voor ons is momenteel essentieel dat de globale handel zijn rol van buffer kan naast de bereidheid om verstandig om te springen met reguleringen die in crisistijden flexibeler bekeken dienen te worden. (3)

(1) Risky Returns: The Implications of Financialization in the Food System - Clapp - 2018 - Development and Change - Wiley Online Library

(2) Assessing the evolving fragility of the global food system - IOPscience

The economist, The coming food catastrophe, The coming food catastrophe | May 21st 2022 | The Economist



[1] 

[2] 

donderdag 5 mei 2022

Het temmen van het inflatiebeest


In een vorige bijdrage schetsten we het klimaat dat heerste bij de ervaring van de stagflatie in de jaren 1970. De in 1979 benoemde Paul Volcker als gouverneur van de Amerikaanse centrale bank stond voor de opdracht de strijd tegen het inflatiebeest te voeren.  Economen doceren vaak dat afgezien van oorlogen en Grote Depressies, de inflatie op andere momenten bijna altijd minder dan 5% en meestal rond de 2 tot 3% bedraagt. Dat geldt dus niet voor de ervaringen in de jaren 1970 en... vandaag. 

De jaren 1970 waren tot nu toe Amerika's enige uitbarsting van inflatie in vredestijd. Tijdens de eerste olieprijsschok bereikte de olieprijs op een gegeven moment in de dollars van vandaag het niveau van maar liefst 73 dollar per vat. Stijgende energieprijzen in deze periode hielpen "een nieuw tijdperk in de Amerikaanse inflatie" in te luiden, aldus het ministerie van Arbeid.

In 1979 leidde een tweede olieschok tot een daling van de Iraanse olieproductie als gevolg van de Iraanse Revolutie. "De gemiddelde burger begreep de energiecrisis als een paniek aan de pomp - de angst dat we niet genoeg olie zouden hebben om onze gastanks te vullen, onze huizen te verwarmen of onze fabrieken te runnen" (1)

Aanbodeconomie

Een belangrijke vraag was de mate dat overheidsbeleid zelf het probleem van stagflatie nog verergerde. Indien dat zo was, dan was het aanpakken daarvan essentieel om inflatie wel met enig succes te kunnen bestrijden. In wezen dachten beleidsmakers tot dan dat ze via beleid konden kiezen tussen lage inflatie of lage werkloosheid. Indien ze minder werkloosheid wensten kon dit door het stimuleren van de economie wat dan wel ten koste zou gaan van hogere inflatie. 

Dit beeld van een menu tussen lage werkloosheid of lage inflatie bleek echter niet op te gaan in de context van stagflatie. De economie zat in een spiraal van versnellende inflatie vanwege ontsporende inflatieverwachtingen.  Zodra duidelijk wordt dat de Federal Reserve niet echt om inflatie geeft en niet veel zal doen om deze in te dammen, beginnen bedrijven en consumenten inflatie te verwachten en plannen ze daarop. Deze dynamiek zelf creëert inflatie, in de vorm van hogere lonen en prijzen, wat op zijn beurt de voorspellingen van mensen over inflatie in de toekomst versterkt, wat leidt tot een giftige spiraal. 

Tot dan was de 'vraageconomie' dominant waarbij elke crisis bestreden werd door het stimuleren van de economie. Het was een inzicht van de zogenaamde "aanbodeconomen" dat dit op een bepaald moment niet meer lukte door aanpassingen van de verwachtingen. Het toelaten van beperkt meer inflatie om de werkloosheid te doen dalen, was in doodlopend straatje beland met de hyperinflatie. Het inzicht groeide dat de inflatiespiraal moest gebroken worden. En dat dit wellicht eens een pijnlijke zaak kon worden.

De meest eenvoudige analyse bestaat er in te besluiten dat de inflatie in de jaren 1970 uit de hand kon lopen omdat - totdat Paul Volcker aantrad, niemand voldoende prioriteit gaf aan het bestrijden van de inflatie. Dus veeleer dan te poneren dat de dominante factor ontwikkelingen waren in het Midden-Oosten is dit een analyse van onvermogen van beleidsmakers in het Westen (2). 

Een belangrijke vraag is in welke mate aanbodschokken zoals het olie-embargo onvermijdelijk tot een ontsporende inflatie moet leiden of dat dit enkel gebeurt als de centrale bank haar opdracht verwaarloost. Het is naïef om te denk dat het opsplitsen van inflatie in componenten volstaat om hierop het antwoord te vinden. Milton Friedman beklemtoonde dat als de centrale bank haar monetair beleid correct uitvoert de energiecomponenten wel een prijsschok kunnen ondergaan maar dat dit impliceert dat er minder geld is om uit te geven aan andere componenten. Voor hem betekende dit dat inflatie altijd een monetair probleem is (3).  

Er is dan nog de intrigerende theorie dat minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger eigenlijk een rol heeft gespeeld in de olieprijsschok. Hij zou deze geaccepteerd hebben om op die manier de sjah van Iran te subsidiëren in zijn strijd tegen de Sovjetunie. Volgens voormalig minister van Financiën William Simon weigerde Kissinger om bij Saoedi Arabië te verzoeken Iran onder druk te zetten. Dit had grote prijsverhogingen tijdens de OPEC-vergaderingen van 1973 kunnen vermijden. (4)

Hubris

Dat beleidsmakers onvoldoende prioriteit gaven aan het bestrijden van inflatie is uiteraard tragisch. Als beleidsmakers de risico's niet verkeerd hadden ingeschat, dan hadden ze immers meer van hun doelen hebben bereikt. Het is een bittere les om politiek kapitaal juist in te zetten. President Nixon, zijn adviseurs en Fed gouverneur Arthur Burns kunnen deels terecht opwerpen dat hun voorgangers hen wel in erg slechte positie hadden gemanoeuvreerd. Tijdens de jaren 1960 hadden president Lyndon Johnson en zijn adviseurs Arthur Okun en William McChesney Martin vooral pijnlijke dilemma's achtergelaten zonder aantrekkelijke keuzes. Door de obsessie die ze nog hadden met de Grote Depressie geloofden ze dat werkloosheid bijna steeds beantwoord moest worden met het stimuleren van de economie. Pas na de jaren 1970 zouden economen opnieuw ernstiger beseffen dat sommige problemen diepe hervormingen vergen. Een belangrijk stuk van de werkloosheid was immers structureel geworden en dus niet meer vatbaar om te verdwijnen enkel door een soepel monetair en budgettair beleid. 

Pas na de jaren 1970 erkenden economen dat soms een bewust beleid van afkoeling van de economie vereist is. De vraag is of vandaag beleidsmakers bereid zijn om een groeivertraging te accepteren. Dit om te vermijden dat we jarenlang blijven worstelen met systemische inflatie die ons finaal veel meer zal kosten, ook in termen van werkgelegenheid en welvaart. 

Destijds was Nixon daartoe zeker niet bereid. Hij lag immers veel te veel wakker van de nadelige politieke gevolgen van trage groei voor zijn eigen herverkiezing. Het is echter niet alleen de zwakheid van de politiek die een noodlottige rol kan spelen. Ook centraal bankiers worden vaak verlamd door het verlangen om moeilijke keuzes uit te stellen en te hopen dat pijnlijke dilemma's vanzelf verdwijnen. 

Bovendien is er de vraag in welke mate de onafhankelijkheid van de centrale bank geen fictie is. De financiële markt was erg bezorgd dat de centrale bank te gemakkelijk onder druk zou komen staan om de tekorten van de politiek te moeten financieren. Nixon was er trots op een veilige methode gevonden te hebben om boodschappen te bezorgen aan de Fed zonder dat de pers daarvan op de hoogte kon komen. Volgens de overlevering dateert het axioma in het institutionele geheugen van de Federal Reserve dat er beter minder dan meer directe contacten zijn met de staf van het Witte Huis uit deze periode.

Die zwakheid is bijna niet te onderscheiden van hubris waarbij men dus zichzelf voorhoudt dat inflatieproblemen steeds oplossen zonder daarvoor grote inspanningen en offers te brengen. Het is altijd oppassen geblazen als de mythe begint te circuleren dat beleidsmakers eindelijk de opeenvolging van economische cycli onder controle hebben gebracht. 

Prijscontroles

Een van de belangrijke lessen van de stagflatiejaren uit de jaren 1970 is dat prijscontroles politiek soms aantrekkelijk zijn maar economisch zo goed als nooit verstandig zijn. De prijscontroles van toen kalmeerden de inflatieverwachtingen niet. Elke keer prijscontroles geactiveerd werden, ontstond de verwachting al dat de prijzen zouden opveren eenmaal de controles werden opgeheven. Finaal brachten ze de economie veel schade aan zonder meer dan erg kortstondig respijt inzake prijsstijgingen. Ze zorgden ervoor dat de noodzakelijke en onvermijdbare aanpassing naar minder energiegebruik alleen maar vertraagd werd. (5) Het meest problematische aan de prijscontroles was wellicht nog dat ze tot overmoed leidden en ervoor zorgden dat men minder aan monetaire en budgettaire verstrakking dacht dan nodig. 

Verstrakking

Terwijl de eerste prijsschok tussen 1972 en 1974 vooral te maken had met stijgende energie -en voedselprijzen en het ontsporen van de loonkosten was de piek tegen het einde van de jaren 1970 een veel breder fenomeen. Een belangrijke factor daarbij was het cumulatief oplopen van begrotingstekorten die de stabiliteit van de economie ondermijnde. Het vergde de vastberadenheid van Fed voorzitter Paul Volcker om dit een halt toe te roepen. Een speciale vergadering van het Federal Open Market Committee (FOMC) op 6 oktober 1979 zette unieke beleidsmaatregelen in gang om de aanhoudende stijging van de inflatie te bestrijden.

Niet onbelangrijk was dat het Comité besloot eerst te focussen op het groeitempo van de geldvoorraad in de economie (en de rente als secundair te beschouwen daarbij). Het gevolg was wel dat de cruciale rente (federal funds) steeg van 10 procent aan het begin van 1979 tot 19 procent in het midden van 1981 (6).  Iedereen ziet vandaag hopelijk in wat dit impliceert als verstrakking van het monetair beleid. 

Confrontatie

De Volcker-desinflatie, samen met andere factoren, verzwakte de Amerikaanse economie wat ervoor zorgde dat de politieke autoriteiten in confrontatie gingen met de centrale bank. De voorzitter van het Huis van Afgevaardigden van de Verenigde Staten Jim Wreight eiste het ontslag van Volcker in 1982 (7). Die stelde op een persconferentie dat hij desondanks niet zou overgaan tot het versoepelen van het geldbeleid. 

Ondertussen nam de inflatie af van  6,1 procent begin 1982 en vervolgens tot 3,7 procent in het volgende jaar. Vanaf 1983 begon het werkloosheidspercentage aan een gestage daling. Met het herstel in zicht en de inflatie sterk verminderd, nam de politieke druk op Volcker en de Federal Reserve ook af.  Door te breken met de traditionele procedures en door te zetten ondanks een recessie die naar historische maatstaven vrij groot was, herstelde de Fed de geloofwaardigheid voor lage inflatie.  Uiteindelijk bleek de recessie na de verstrakking van het monetair beleid kleiner dan velen hadden voorspeld. Door het herstel van de geloofwaardigheid van de centrale bank kon de economie vervolgens lang groeien zonder opnieuw in een gelijkaardige inflatiespiraal terecht te komen. (8) 

Lessen

Een van de lessen van toen is dat de bezorgdheid over de inflatoire gevolgen van beleid niet kan worden uitgesteld totdat de economie ooit haar Nirvana van volledige werkgelegenheid bereikt. Vandaag stelt zich de vraag in welke mate gelijkaardige fenomenen spelen die leidden tot hardnekkige stagflatie. En vooral of er nu evenveel capaciteit is van centrale bankiers om te doen wat ze horen te doen. 

Vandaag is de inflatie opnieuw erg breed verspreid.  Een kwart van alle goederen en diensten kent intussen een inflatie van meer dan 6%, bijna twee derde een inflatie van meer dan 3%.

De grote les van de stagflatie van de jaren 1970 is dat inflatie steeds onder controle gebracht kan worden als men maar bereid is te doen wat nodig is. In Duitsland zorgde de Bundesbank ervoor dat tegen het midden van de jaren 1970 de inflatie al gehalveerd was. Tegen het begin van de jaren 1980 was de inflatiepiek al volledig voorbij. 

Er is ook de les dat niet alleen de centrale bank zijn plicht moet doen maar ook politieke overheden hun inflatoir beleid van begrotingstekorten moeten afbouwen. Dat impliceert vandaag dat steun inzake koopkracht enkel verstandig is in de mate dat ze erg selectief is. Het algemeen pompen van meer geld zal contraproductief zijn. Prijscontroles brengen finaal typisch meer schade toe dan ze erg tijdelijk aan verlichting opleveren. 


(1) Meg Jacobs, 2017, Panic at the Pump: The Energy Crisis and the Transformation of American Politics in the 1970s

(2) J. Bradford DeLong, 1997. "America's Peacetime Inflation: The 1970s," NBER Chapters, in: Reducing Inflation: Motivation and Strategy, pages 247-280, National Bureau of Economic Research

(3) Milton Friedman geciteerd in Ball, Laurence, and N. Gregory Mankiw. 1995. Relative Price Changes as Aggregate Supply Shocks. Quarterly Journal of Economics 110: 161-62

(4) Isaacson, Walter. 1992. Kissinger. New York: Simon and Schuster

(5) Rockoff, Hugh. 1984. Drastic Measures: A History of Wage and Price Controls in the Romer, Christina. 1986.

(6) Bill Medley, Volcker's Announcement of Anti-Inflation Measures | Federal Reserve History, https://www.federalreservehistory.org/essays/anti-inflation-measures

(7) William L. Silber, 2012, Volcker: The Triumph of Persistence, Bloomsbury Press 

(8) Goodfriend, Marvin, and Robert King. “The Incredible Volcker Disinflation.” Journal of Monetary Economics 52, no. 5 (July 2005): 981-1015.


woensdag 4 mei 2022

Stagflatie: de ontsporing van de jaren 70

 

De oliecrisis van 1973 of de eerste oliecrisis begon in oktober 1973 toen de leden van de Organisatie van Arabische olie-exporterende landen onder leiding van Saoedi-Arabië een olie-embargo afkondigden. Het embargo was gericht tegen landen die Israël hadden gesteund tijdens de Jom Kippoeroorlog. In 1974 bedroeg de inflatie 10% en volgens enquêtes van toen vond 81% van de Amerikanen de prijsstijgingen het grootste probleem. De discussie van toen werd gedomineerd door de evolutie van de olieprijzen en de geldcreatie. De inflatie-ontsporing in de jaren 1970 volgde op een decennium waarin de totale geldhoeveelheid tweemaal zo snel was gegroeid als de tien jaar ervoor (1). Dit was mogelijk gemaakt door het loskoppelen van de dollar van het goud door het opschorten van het Bretton Woodsstelsel in 1971. Empirisch onderzoek komt tot de conclusie dat het de aanbodschok was door de oliecrisis die aan de basis lag van de combinatie van de recessie met hoge inflatie (2). 

De eerste reactie van Westerse centrale banken was de rente te verlagen om de groei aan te moedigen. Ze besloten dat inflatie een secundaire zorg was wat voor sommigen benauwend lijkt op de reactie van de monetaire autoriteiten tijdens 2021 in de huidige inflatiecrisis. Nochtans wordt sinds decennia nu gedoceerd dat dit beleid leidde tot een verdieping en verlenging van de negatieve effecten van het embargo. De mens is echter in staat om lessen uit de geschiedenis ook weer te vergeten. De prijsschok zorgde voor grote tekorten op de lopende rekening in olie-importerende economieën. Er werd de zogenaamde petrodollar gecreëerd, waardoor OPEC overtollige fondsen via de kapitaalmarkten naar het Westen kanaliseerden om daar de tekorten op de lopende rekening te financieren. De werking van dit mechanisme vereiste de versoepeling van de kapitaalcontroles in olie-importerende economieën. 

Tot 1974 gold er een verbod voor Amerikaanse burgers om edelmetaal te kopen. Na 31 december 1974 konden Amerikanen zich beschermen tegen monetaire onverantwoordelijkheid door goud te kopen. Banken en detailhandelszaken in de Verenigde Staten bereidden zich van tevoren voor om aan de eisen van beleggers te voldoen. De Sterling National Bank and Trust Company in New York en de First AmTenn Corporation, met bankfilialen in Tennessee, Alabama en het zuiden van Kentucky, bereidden goudstaven voor in maten variërend van één ounce tot veertig ounces. Ze beloofden goudstaven te leveren in "nauwsluitende plastic verpakkingen ... zodat een goudstaaf of wafel niet gemanipuleerd kon worden voor de levering." De vrijemarktprijs van goud reageerde op de verwachte vraag door op 30 december 1974 een piek van $ 197,50 te bereiken, een stijging van 75 procent op jaarbasis. Een duidelijk teken van hoge inflatieverwachtingen.

Pijnlijk

De maatschappelijke onrust over de inflatie kon door de Amerikaanse centrale bank niet genegeerd blijven. In 1974 trok die de rente op en zag erop toe dat er strakker kredietbeleid werd gevoerd. Een uitdaging voor beleidsmakers is uitleggen aan het publiek dat het bestrijden van inflatie een zaak is van lange adem. De inflatie bedroeg nog 12% in 1975 om te dalen naar 5% in 1976. Dat een pijnlijk beleid in 1974 voeren geassocieerd kan worden met een afnemende inflatie twee jaar later is iets wat heel moeilijk te brengen is. Zelfs al moest het forum bestaan waarop een beleidsmaker of dergelijke economische thema's met het publiek zou kunnen spreken. 

Presidentskandidaat Gerald Ford probeerde nochtans de strijd tegen inflatie in te zetten door de politieke campagne met de titel "Whip inflation now". Afgekort WIN uiteraard maar dit werd met grote scepsis ontvangen. Velen droegen de ronde knopen omgekeerd ('NIM') met de stelling "No immediate miracles" waarmee ze wellicht meer kennis vertoonden van de moeizame weg om het inflatiegevaar klein te krijgen. Ford verloor de verkiezingen in 1976 van tegenkandidaat Jimmy Carter. De bevolking leed overigens nog steeds onder koopkrachtverlies. Een inflatie van 5% betekende nog steeds dat het leven duurder werd en was nog steeds een niveau meer dan dubbel zo hoog als gewenst en als gangbaar tien jaar ervoor. 


Om het economisch klimaat te schetsen kunnen we gebruik maken van getuigenissen die in enquêtes opgenomen werden. Een gescheiden moeder van twee kinderen in Atlanta verklaarde in de New York Times: "Ik kocht net een huis en de belangrijkste reden was inflatie. Ik was bang dat als ik het nu niet deed, morgen te laat zou zijn. De echtgenote van de politiecommissaris van East Hampton bekende dat ze geld had geleend om naar een pretpark te gaan met haar twee dochters: "We hadden het gevoel dat we het nu moesten doen."  (3)

American Footballssupporter Ron Gordon haalde de media door zijn protest tegen de prijsverhoging van hotdogs op het speelveld San Francisco Giants wat hem lof opleverde van A. Kahn, topadviseur van president Carter. Carter zelf werd echter in de pers belaagd met de vraag of de inflatie niet vooral kwam door het inflatoir beleid van de federale overheid. Om die druk te bezweren ontsloeg zijn volledige staf. Johnny Carson van de gelijknamige TV-show stelde dat minister van financiën Blumenthal zijn ontslagpremie ongetwijfeld in Krugerrand gekregen. Het zegt wel iets dat Carson ervan uit kon gaan dat het TV-publiek voldoende vertrouwd zou zijn met de naam van de op dat moment populaire gouden munt. Deze werd intensief gekocht door beleggers als bescherming tegen inflatie. 

Eind juli 1979 stelde president Carter de beruchte Paul Volcker aan als voorzitter van de Amerikaanse centrale bank. De eerste renteverhoging onder Volcker werd echter ontvangen door een opstoot in de goudprijs wat als een motie van wantrouwen werd gezien. De inflatieverwachtingen waren grondig ontspoord. De strijd tegen inflatie zou nog een heel lang vervolg krijgen met de tweede olieprijsschok (4).



(1) Federal Reserve Bank of St. Louis. "The Great Inflation: A Historical Overview and Lessons Learned." https://research.stlouisfed.org/publications/page1-econ/2012/10/01/the-great-inflation-a-historical-overview-and-lessons-learned/ 

(2) Alan S. Blinder & Jeremy B. Rudd, 2013. "The Supply-Shock Explanation of the Great Stagflation Revisited," NBER Chapters, in: The Great Inflation: The Rebirth of Modern Central Banking, pages 119-175, National Bureau of Economic Research, Inc.

(3) William L. Silber, 2012, Volcker: The Triumph of Persistence, Bloomsbury Press

(4) Michael Corbett, 2013, Oil Shock of 1973–74 | Federal Reserve History, Federal Reserve Bank of Boston



reading

 1. marktwerking

https://www.ft.com/content/f7f76d7c-2d01-4129-b87d-fcc9815e3a77


I was struck, at the annual University of Chicago Stigler Center’s monopoly conference a couple of weeks ago, by barn-burning comments from the head of the Federal Trade Commission, Lina Khan, and Department of Justice antitrust division chief Jonathan Kanter. Both insisted on the need to look beyond consumer welfare, for more than four decades the touchstone of US antitrust law, to “market realities” when thinking about regulatory action. Both made it very clear that they were ready to “take on the big fights,” as Khan put it, and hold not just companies, but individuals, accountable. Referring to Jesse Eisinger’s eponymously titled book on the decline in the DoJ’s willingness to go after corporate wrongdoing, Kanter said: “We aren’t part of the chickenshit club.” Investors, take note.

 

2. ESG

There is far too much groupthink in ESG investing

There is far too much groupthink in ESG investing | Financial Times (ft.com)