dinsdag 23 augustus 2022

wzc

 

ie

Gesprek

Ivan Van de Cloot
Beantwoorden
Als antwoord op
2 Het virus kwam binnen langs de zorg (9 op 10). Dat kon afgevangen worden door een testbeleid (gericht op de zorg), beschermend verzorgen (voldoende persoonsbeschermende materialen en goede mondmaskers) en adequate quarantaine als een afdeling was getroffen.
1
5
3 De kenner wist in maart 2020 dat het virus (Wuhan variant) minder besmettelijk was, weinig dodelijk voor de 65- met snel toenemende fataliteit boven die leeftijd. De lockdowns waren gericht op de angsten van de begoede middenklasse met laptop, een huis en een tuin.
1
7
4 De lockdown deed daarom zo weinig op het binnendringen van het virus in de zorgnetwerken. De multiplicator zat er achter: een enkele besmette verzorgende volstond om het virus binnen in het WZC te brengen. Daar vond het virus netwerken van zorg.
1
5
5 Een verzorgende verzorgt meerdere patiënten, meerdere patiënten worden verzorgd door meerdere verzorgenden. Je kan de zorg niet staken. Het virus kon ongehinderd in dit netwerk spreiden en zo een slachting aanrichten.
1
6
6 Dus hoeveel van de 14400 doden bij de 75+ waren te voorkomen met een verstandig beleid, gebouwd op kennis van de ouderenzorg en infectiepreventie, dat van bescherming van ouderen een prioriteit had gemaakt, in plaats van te focussen op de middenklasse?
1
8
7 Dit is een kernvraag voor een onafhankelijke evaluatie. De ouderenzorg was een chaos (waarom?), middelen waren ontoereikend, er waren onvoldoende testen, geen goede mondmaskers. Maar hoe kwam het dat het beleid daar geen prioriteit van heeft gemaakt?
1
10
8 Zoveel mogelijk middelen moesten worden afgewend van ziekenhuizen (daar is het kalf verdronken; wel moet je voorkomen dat daar zich hetzelfde drama afspeelt als in de WZC) en gericht naar ouderenzorg in WZC en eerste lijn.
1
4
9 Ik ken het antwoord van de managementstrategen: we hebben heel veel vergaderd, vergaderingen waar jij niets van afweet. Maar ik herken de boom aan de vruchten. Wat hebben die vergaderingen opgebracht, waar en wanneer werden middelen afgewend naar de ouderenzorg?
1
9
10 Samengevat: hoeveel doden hadden kunnen worden voorkomen door een beleid dat een prioriteit had gemaakt van het voorkomen van infecties in de ouderenzorg: in WZC en eerste lijn? Een interessante vraag voor een onafhankelijke evaluatie.
1
19

zondag 21 augustus 2022

Tunnelvisie in het monetair beleid

 

In het boek Roekeloos uit 2013 toonde ik aan in hoeverre groepsdenken bijgedragen had tot onevenwichten die fataal werden voor een aantal financiële instellingen en de eurozone jarenlang in crisismodus brachten. De vraag die ik de lezers zou willen stellen is in welke mate we door groepsdenken vandaag weer in een erg fragiele situatie zijn beland.

 

Er zijn twee overduidelijke indicaties van groepsdenken zijn overmoed en het ridiculiseren van afwijkende onderbouwde visies. Omdat tot aan de coronacrisis de stijging van de officiële index van de consumptieprijzen jarenlang beperkt bleef, werden afwijkende visies over monetair beleid geridiculeerd. Alleen wordt over het hoofd gezien dat er niet in de eerste instantie werd gewaarschuwd voor inflatie als gevolg van de monetaire experimenten maar voor onevenwichten en excessen. Met centraal de stelling dat het gevaarlijk wordt als de risicopremie op geld te klein is. Er zijn altijd allocatieve effecten, ook als geld goedkoop wordt. Dit zet onder andere banken aan om risicovollere leningen te verstrekken.We spreken over “een zoektocht naar rendement” waarbij typisch geld verder op de rentecurve wordt verplaatst naar de risicovollere beleggingen.

 

Het rentecomité van een centrale bank is zoals een groep ingenieurs in de controlekamer van een kerncentrale. Ze verwarmen de reactor, door de snelheid te verlagen, wanneer er meer stroom nodig is. En ze koelen de reactor af, door de snelheid te verhogen, wanneer de omstandigheden te warm worden. Met dat verschil dat er in de economie veel grotere onzekerheid speelt. Dit impliceert cruciaal de noodzaak om steeds alert te zijn voor groepsdenken en bunkermentaliteit. Antiroekeloosheid houdt tenminste in dat er voldoende haviken in de raad van bestuur van de centrale bank aanwezig zijn opdat die stem niet genegeerd kan worden. De risico’s inzake onevenwichten en opbouwende excessen in allerlei markten werden echter genegeerd, zeker vanaf 2013. Hoe langer pervers monetair beleid echter van kracht, hoe waarschijnlijker dat de kosten en risico’s de baten totaal overweldigen.

Tunnelvisie

Al meermaals was het moment sindsdien geschikt om de rente op te trekken Dat dit niet gebeurde, is een collectieve verantwoordelijkheid van de Westerse centrale banken. Zowel bij de ECB als de Fed was er sprake van tunnelvisie. Dat de rente zelfs op momenten van historisch lage werkloosheidsgraad niet verhoogd werd, kan alleen verklaard worden door de overtuiging bij bestuurders dat het financieel systeem te fragiel is. De paradox is uiteraard dat het lakse monetaire beleid zelf aanzette tot onevenwichten en zeepbellen allerhande. Jay Powell was zelf een van de stemmen die zich bezorgd uitte hieromtrent tot hij benoemd werd tot Fed gouverneur. Zijn kritische medestanders Fisher en Plosser bij de Fed merkten op dat Powells discours helemaal veranderde eenmaal hij die positie kreeg. Helemaal verbaasd konden ze niet zijn. Hoewel de nieuwe gouverneur wel vaak hun kritische commentaren deelde, bracht hij in tegenstelling tot hen nooit een tegenstem uit in het rentecomité.

Twee neven

Vandaag zijn veel economen helaas vergeten dat de Grote Inflatie van de jaren 1970 zo destructief was omdat het eigenlijk twee soorten inflatie waren die met elkaar verweven waren en die elkaar voedden. Er was ten eerste de prijsontwikkeling van goederen en diensten. De andere was de inflatie van activaprijzen, een fenomeen dat later het belangrijkste kenmerk van het Amerikaanse economische leven werd. Vermogensinflatie was de kracht achter de dotcom-crash van 2000, de huizenmarktcrash van 2008 en de ongekende marktcrash van 2020, die werd versneld door de uitbraak van het coronavirus. Fed Gouverneur Paul Volcker had het in de jaren 1980 over de “twee neven” van activa-inflatie en goedereninflatie.

Het economisch debat wordt te veel gedomineerd door de discussie over de “gewone inflatie”. Er is veel minder altertheid voor de kredietcyclus die een veel grotere amplitude kent. Het is duidelijk dat de totale schuldposities sinds de crisis niet zijn afgebouwd in de mate waarop velen hadden gerekend of minstens gehoopt. Volgens de Bank voor Internationale Betalingen leidt het globale financiële systeem aan 'excess elasticity': het is niet in staat de kredietcreatie af te remmen vóór er zich onevenwichten en speculatieve bubbels ontwikkelen. Helaas is de maatschappij  zich onvoldoende onbewust van haar kwetsbaarheid en zijn er weinig initiatieven om dit structureel aan te pakken. In tegendeel. Senatoren in de Verenigde Staten gaven bij de hoorzittingen de voorbije jaren aan dat ze enorm belobbyd werden om een zeker geen havik te benoemen in de financiële toezichtsorganen. Dat er in Europa minder geweten is over druk op dat vlak is geen geruststelling.

 

Ivan Van de Cloot hoofdeconoom Itinera ­Institute en auteur van het boek “Overheid+ Markt, het beste van beide werelden”


woensdag 27 juli 2022

risico en disproportionaliteit

 

Omgaan met risico

De coronacrisis heeft ons enorm veel getoond over hoe mensen omgaan met risico. Dat laatste is één van de meest complexe zaken in de moderne maatschappij. We kunnen proberen de objectieve hoeveelheid risico in de maatschappij en de houding van mensen tegenover risico te onderscheiden. Dit roept echter al meer vragen op dan beantwoord kunnen worden in een lijvig boek. Hoe zouden we risico meten? En zijn risico’s steeds vergelijkbaar? Wat met catastrofale risico’s? Hoe operationaliseren we risico-afkerigheid?...

In discussies over de evaluatie van het gevoerde coronabeleid komt het probleem van silo’s tussen disciplines duidelijk naar boven. Er is een uitgebreide literatuur over hoe omgaan met risico’s maar daarmee blijken velen niet vertrouwd. De coronacrisis heeft getoond hoe vaak echte interdisciplinariteit nog te vaak een slogan is in plaats van een realiteit. Ook dat hoort nu aan bod te komen in een periode dat we tijd kunnen nemen voor reflectie over de evaluatie van het coronabeheer. Aan begin van de corona-epidemie was er te weinig tijd en te weinig kennis om alle relevante perspectieven mee te wegen in het beleid. Economen maken een onderscheid tussen risico en onzekerheid. Het tweede impliceert dat men zelfs niet meer kan inschatten welke risico's er in het spel zijn. Later is daar echter al minder begrip voor op te brengen. En naar de toekomst hebben we verdorie de plicht te tonen dat we leren uit onze ervaringen. Het wordt te weinig gezegd dat we echt bij momenten moeten spreken over hysterie. Iedereen kan zijn eigen inschatting maken over hoe groot is dat we in de nabije toekomst opnieuw in dergelijke fuik terechtkomen waar het rationeel afwegen van risico’s onder druk komt.

Meten van risico

Modellen horen vaak bij de wetenschap omdat ze toelaten om heel complexe processen te vereenvoudigen en zo complexiteit beheersbaar te maken. In een boekje van 2016 pleit de econoom Dani Rodrik dat soms een heel eenvoudige modellen de voorkeur genieten terwijl in een andere context de toevlucht wel moet genomen worden tot erg gesofisticeerde complexe modellen. Het punt dat ik net als Rodrik hierbij wil benadrukken is dat het menselijk oordeel vergt om in te schatten wat op welk moment het meest gepast is. Het is vandaag ongeduldig wachten op het moment dat deze discussie ook zichtbaarder wordt over onder andere de biostatistische coronamodellen. Niet zelden zagen we dat de resultaten van dergelijke modellen bijna vastgelegd werden door een bepaalde assumptie over de effectiviteit van een “beperkende coronamaatregel”. Als men over die effectiviteit in feite heel weinig empirische robuuste evidentie heeft, dan rijst de vraag in welke mate we niet met circulaire redeneringen zitten waarbij het resultaat uiteindelijke verondersteld wordt in plaats van “berekend”.

Reflectie en kritiek

Recent voerde ik een debat over de coronacrisis met professor Erika Vlieghe die opmerkte dat ze persoonlijk intimiderende en haatvolle berichten ontving. Uiteraard past alleen maar totale verwerping van haat en intimidatie. In Nederland waren er economen die probeerden een rationeel debat te voeren over hoe we omgingen met gezondheidseconomische evaluatie in coronacontext rond de maatschappelijke kost per kwaliteitsvol levensjaar. De berekening van het aantal verloren gezonde levensjaren op een heel leven bij kinderen die leerachterstand opliepen in de coronacrisis deed met name veel stof opwaaien. Zij mochten evengoed intimiderende berichten ontvangen in die mate dat ze op advies van de veiligheidsdiensten zich terugtrokken uit het publiek debat. Wat we nodig hebben is (zelf-)reflectie en kritische evaluatie over hoe we omgaan met risico’s en onzekerheid. Niemand beweert dat het eenvoudig is maar de discussie uit de weg gaan is in elk geval onverantwoordelijk.

Risicoafkerigheid

Los van het (vaak zelfs nu nog onmogelijk gemaakte) coronadebat, stellen er zich brede vragen over hoe onze maatschappij omgaat met risico’s. Wat we weten over sommige risico's komt vaak van experts en wetenschappers met gespecialiseerde kennis, niet door directe eigen ervaring. Ook de verhoogde afhankelijkheid van experts in onze maatschappij stelt zijn eigen uitdagingen. Niet alleen hoe we in een democratie correct expertise benutten (denk aan de discussie over de samenstelling van expertcommissies) maar ook hoe het vertrouwen van de bevolking in expertise niet verloren geraakt.

We moeten er mensen op wijzen dat in vele dimensies ons leven ook vaak veiliger is geworden. Denk alleen al aan de hoge levens(duur)verwachting. Angst is geen goede raadgever maar helaas worden meer en meer debatten er vandaag door bemoeilijkt. Het ijkpunt daarbij blijft dat we ethisch best zo lucide en rationeel mogelijk omgaan met de kosten en baten van veiligheidsbeleid in alle domeinen. Het is geen verwijt maar een vaststelling dat disproportionele maatregelen een hoge maatschappelijke kost kunnen opleveren. In sommige domeinen zijn we gewoon blind voor die realiteit en dan kan rationale discussie een oplossing bieden. Het wordt echter problematisch als in zogenaamde gevoelige domeinen de nuchtere analyse buiten de bandbreedte valt van het (toegelaten) maatschappelijk debat. Er blijft een grote waarde zitten in het voorschrift van een koel hoofd en een warm hart, zeker ook in domeinen waar terecht grote zorgen rond bestaan.

Ivan Van de Cloot hoofdeconoom Itinera ­Institute en auteur van het boek “Overheid+ Markt, het beste van beide werelden”

 

 

 

 

 

woensdag 22 juni 2022

Burgerparticipatie, enkel voor de bühne?

Burgerparticipatie, enkel voor de bühne?

We stellen ons allemaal de vraag hoe we onze democratie opnieuw meer levenskracht kunnen geven. De particratie heeft zich heel goed bedeeld met de partijfinanciering. Tegelijkertijd voelen veel burgers zich nauwelijks vertegenwoordigd of betrokken.

Een belangrijke piste is burgerparticipatie. De creativiteit daarrond viert hoogtij. Participatieve, deliberatieve of aleatorische democratie zijn onderling fundamenteel verschillend.

Worden die burgerparticpatieprocessen echter werkelijk gebruikt met doel en praktisering zoals ze aangekondigd worden. Of werkt het in de praktijk toch wel eens anders uit? Het is in deze fase dat burgerparticipatie ook soms een industrie is geworden die zich als een olievlek verspreid over gemeenten, provinciebesturen, regio’s… wel gepast dat er gekeken wordt naar inconsistenties in de praktijk.

Een gevalstudie

De stad Gent is een grote trekker van burgerparticipatie. Tot er dan iets voorvalt waar burgers zich echt zorgen over maken. Zoals de centralisering de verschillende federale & lokale politiediensten in het vernieuwde complex van de politiekazerne in de Groendreef te Gent (1).  Het is bijna onvermijdelijk dat er hierbij bezorgde buren zijn die bijvoorbeeld bezorgd zijn over het rustige karakter van een buurt waar nu kinderen op straat kunnen spelen. Denk maar aan geluidsoverlast door sirenes en een pak meer verkeer. Buren hebben contact gelegd met de regie der gebouwen en de wijkagent. Echte inspraakmoment blijken er dan echter niet voorzien. Enkel informatieve sessies met geen plaats voor dialoog of vraagstelling. De vragen om de haalbaarheidsstudie in te zien worden afgewimpeld met het antwoord dat die geheim is tot de beslissing is gevallen. Er is geen sprake van openbare onderzoeken, laat staan informatieverstrekking in die richting. In een materie die toch net erg vatbaar zou moeten zijn voor burgerparticipatie, is dit toch wel opmerkelijk.

Ook op voorstellen van burgers van redelijke alternatieven komt geen antwoord. Uiteraard is het in dergelijke gevallen evengoed een probleem dat er NIMBY-fenomenen spelen waarbij mensen er niet in slagen het algemeen belang van een beslissing te accepteren. Het gaat er niet om hier een evaluatie te maken van de merite van het project van centralisering en locatie in de specifieke context van Gent.

Wel om te observeren dat voor een Gents bestuur dat "haar inwoners actief wil betrekken bij het beleid, een participatieve democratie waardig" en principieel kiest voor "voor opbouw van onderuit, zowel bij het opmaken als bij het uitvoeren van het beleid.", zoals te lezen valt in het eerste inhoudelijke hoofdstuk van het bestuursakkoord 2019-2024, p8,  het opvallend is dat de kloof met de belofte van burgerparticipatie en de concrete realiteit toch groot blijft.

Legitimiteit

Legitimiteit komt in drie uiteenlopende maar samenhangende gedaanten: input-, throughput- en outputlegitimiteit6 . Doet de overheid wat we van haar verwachten (output)? Komen de politieke beslissingen tot stand op een legitieme manier (throughput)? En voelen wij ons vertegenwoordigd en gehoord door de politiek (input) (2)?

Democratie wordt te vaak verengd tot burgerparticipatie aan de inputzijde. En zelfs dan gaat het vaak om de numerieke zijde, om quota, terwijl het punt van politieke ongelijkheid is dat de politieke agenda geen goede afspiegeling is van wat er leeft in de diverse groepen in onze samenleving. Slaagt het systeem erin om diezelfde burger ook op het terrein effectief openbare diensten en publieke goederen aan te bieden? De burger – als betrokken (affected) partij én als expert – wordt in de throughputfase stiefmoederlijk behandeld. Over de betrokkenheid van de burger bij evaluatie en bij het afleggen van rekenschap na de outputfase kunnen we beter zedig zwijgen.

Burgerparticipatie heeft als idee zeker enige merite. Iedereen die het een warm hart toedraagt, moet dan vooral ook waakzaam zijn voor excessen (3). Wat doen bv. gemeenten die een consultant inschakelen voor burgerparticipatie en vaststellen dat er van de 20 inschrijvingen slechts 10 opdagen. Wat is de meerwaarde van dergelijke oefeningen die alleen de meest betrokken of activistische burgers mobiliseren? In welke mate kan hiermee aan de slag gegaan worden tegenover de rest van de bevolking? Ook de financiële incentives voor de gemeenten kunnen een problematische rol spelen. Als bijvoorbeeld de rekening toch mag doorgestuurd worden naar de Vlaamse overheid is er al direct minder responsabilisering bij de gemeente om hier ernstig mee om te gaan?

(1)   Project Federale Politiesite Groendreef | Stad Gent

(2)   https://www.itinera.team/sites/default/files/content-documents/Politieke%20vernieuwing.pdf

Ivan Van de Cloot, 2020

 

dinsdag 31 mei 2022

r

 We end by alluding to an implication of the argument of this paper that economics and biomedical science need to be brought together for an improved understanding of pandemics. For example, in the UK while science has played an integral part of the evidence considered when developing policy (Brooks-Pollock et al., 2021), there has been a distinct lack of representation from the economics research community in the various advisory bodies.6 As a result, the evidence presented to government has focused solely on the likely impact of control policies, e.g., closure on schools, contact tracing, on limited health outcomes, numbers of cases, hospital admissions and deaths. However, as we have argued throughout this paper, pandemics do not just make people sick—they affect the entire economy as people adapt and adjust to these new risks. Identifying strategies to manage future pandemics cost-effectively, it is vital that evidence presented to policy makers takes into account these complex interactions between different systems. The key challenge is building strong relationships between the economics and epidemiology modelling communities to ensure better representation on government advisory panels for future pandemics.