dinsdag 13 december 2016

Wetstraat

 'Daar vindt men, na elke verkiezing, de nieuwe vertegenwoordigers, de mannen uit de provincie en de arrondissementen, die binnendringen met idealisme, enthousiasme en de wil van hervormers, zwanger van slogans en partijprogramma's, maar die aldra ontnuchterd worden door de 'heren met lange ervaring'.

Gaston Eyskens, Voorwoord  in Louis Ryckeboer, 'Wetstraat' 

maandag 28 november 2016

Het politieke correcte denken als fenomeen


Ook het politieke correcte denken (PC) heeft een voedingsbodem gehad. In zekere mate is het met name ontstaan als reactie tegen racisme en onderdrukking van minderheden. Het schuldgevoel ontsproten uit de tweede wereldoorlog in Europa en de slavernij en onderdrukking in de Verenigde Staten speelde daarbij zeker een rol. Dit heeft echter ook geleid tot een aantal ontsporingen zoals zelfhaat (“het blanke ras is de kanker in de menselijke geschiedenis") en bizarre debatten (“zwarten kunnen niet racistisch zijn”) in de Verenigde Staten maar ook bij ons.

"Since then, “politically correct” has come to be used to characterize curriculum revisions, campus speech  codes,  harassment  policies,  affirmative  action in college admissions and hiring, the use of new descriptors for minorities (e.g.,African American,Native American, learning disabled), new NORMS for interacting with women and racial or cultural minorities (e.g.,avoiding genteel “ladies first” policies),and generally, to any change in language, policy, social  behavior,  and  cultural  representation  that  is aimed at avoiding or correcting a narrowly Eurocentric world view and the long-standing subordination of some social groups." http://cw.routledge.com/ref/ethics/entries/politicalcorrectness.pdfhttp://cw.routledge.com/ref/ethics/entries/politicalcorrectness.pdf

Vrije debat

In 1999 vond er een conferentie plaats in Johannesburg over het onderwerp van politieke correctheid waarbij het naslagwerk concludeert dat dit fenomeen allesbehalve geleid heeft tot een meer vrije en open samenleving. De auteur van de inleiding stelt met name dat politieke correctheid het open debat en de vrije uitwisseling van ideeën verhindert. Openhartigheid wordt een bron van isolatie. “In our view, political correctness has become a new and more sophisticated form of censorship.” (Erkens and Kane-Berman, 2000, p. 2)  

Een andere deelnemer stelt: “A timorous critic of politically correct positions can be cowed into silence by the mere suggestion that his or her views represent a disguised defence of the old order and show an insensitivity to the plight of back people. . . . White intellectuals are particularly susceptible to this kind of  ad hominem attack, since political correctness preys on white guilt” (Erkens and Kane-Berman, 2000, p. 23).

Een belangrijk onderdeel van het fenomeen is dat sprekers geband worden van het spreekgestoelte aan universiteiten en elders omdat ze bepaalde feitelijke analyses brengen, vaak over minderheden, die in het verkeerde keelgat schieten. Een explosief voorbeeld betrof allerlei onderzoeken over verschillen inzake IQ en andere maatstaven tussen bevolkingsgroepen. Bekend is de annulering van een lezing door Nobelprijswinnaar James Watson in het Science Museum te Londen op 18 oktober 2007 nadat hij uitspraken had gedaan over intelligentieverschillen tussen rassen[1]. Het is hoegenaamd geen recent fenomeen. De New York Times stelde in 1986 al dat er veel te veel nadruk was op PC. 

Dubbele standaarden

Het kan alleen maar aanzetten tot verbittering als taboes op taalgebruik selectief functioneren. Zo waren er nogal wat stemmen in de zaak van de Deense cartoons die stelden dat deze onnodig kwetsend waren voor gelovigen. In welke mate hanteert men dezelfde norm als het over andere geloofsovertuigingen betreft zoals de talloze keren dat Paus Benedictus (Ratzinger) als Gods rottweiler werd beschreven? 

Op sommige domeinen speelt het fenomeen veel meer een rol dan op andere. De spanning loopt typisch  hoger op bij onderwerpen van religie, geslacht of ras.

"That is, areas of social life that were conventionally taken to be a political, such as everyday language, the canon of literary classics, jokes, advertising, norms of politeness, hiring decisions, and sports funding, came increasingly to be seen as potential sites for enacting racism, sexism, and Eurocentrism." http://cw.routledge.com/ref/ethics/entries/politicalcorrectness.pdf

Gevolgen

Het concrete gevolg is onder meer dat sommige dingen niet meer publiekelijk gezegd worden en dus verdrongen worden naar de private sfeer. Sommige disciplines zijn echter veel meer gevrijwaard gebleven van het fenomeen dan anderen. Met name is de wereld van de wiskunde en ingenieurswetenschappen redelijk gevrijwaard gebleven van het fenomeen.

Een paradox is dat in werken uit de geschiedenis er veel meer ideeën geuit konden worden die vandaag onmiddellijk in beschuldigingen van xenofobie, racisme, seksisme… eindigen. Het is essentieel te vermijden dat het eenvoudig is om mensen monddood te maken die reële zorgen in de maatschappij verwoorden. Het criterium dat dit dan wel aan goede smaak beantwoordt, kan niet het laatste woord vormen. 

De pogingen om stereotyperingen te bannen, hebben in sommige gevallen werkelijk absurde proporties gekregen. “African Americans should not be portrayed as athletes; Caucasians should not be portrayed as businesspeople; men should not be portrayed as breadwinners; women should not be portrayed as wives and mothers” (Ravitch, 2003, p. 27). 

Dit is echter wat je krijgt als je vertrekt van het criterium dat alles wat een student kan kwetsen of verontrusten in bijvoorbeeld examenvragen verwijderd moet worden. Ravitch documenteert zelfs een aanklacht tegen het opnemen van de fabel van Aesop “De vos en de kraai” in een cursus omdat de ijdele en dwaze kraai vrouwelijk is en de vos mannelijk.

Het bestaan van een druk tot politiek correct denken zonder dit te erkennen kan ook verstrekkende gevolgen hebben. Als mensen massaal het gevoel krijgen dat hun zorgen niet ernstig genomen worden, kunnen ze zich zoals recent gedemonstreerd in de Verenigde Staten ook in het stembureau balorig opstellen. 

Wat kan vandaag niet meer publiekelijk gesteld worden? Zelfcensuur is uiteraard extreem moeilijk te detecteren. Alleen ikzelf weet wat deze tekst bijvoorbeeld niet gehaald heeft, uit angst voor de gevolgen. Misschien dat academici zelf echter goed in kaart kunnen brengen over welke delen van hun onderzoek ze terughoudend zijn om ze publiekelijk te bespreken. Doris Lessing spreekt in haar essay “Censorship” (2001, p. 73) over de “tirannie van politieke correctheid” waarbij intimidatie, de angst voor gevolgen voor broodwinning… de expressievrijheid beperken.

Als de leden van een bepaalde bevolkingsgroep sterker vertegenwoordigd zijn in criminaliteitscijfers, socialezekerheidsuitkeringen of wat dan ook, is het onverantwoord dat te negeren. Het gevaar dat daaruit verkeerde conclusies getrokken kunnen worden, betekent niet dat we er dan maar blind voor moeten zijn. Laten we ook beseffen dat consensus niet tegen elke prijs bereikt moet worden. Als de feiten niet beantwoorden aan wat een bepaalde intelligentsia ons wil doen geloven, ‘tant pis’ dan.

We mogen niet in de val lopen dat het hanteren van cijfers automatisch gelijkstaat met stigmatisering
Een voorbeeld is het fenomeen van victimisatie, waarbij het gedrag van radicaliserende groepen praktisch verschoond wordt door de omstandigheden waarin ze opgroeien. Het blijkt allesbehalve de regel te zijn dat ze effectief systematisch in armoede opgroeien. De meest gezochte man liep zelfs school op een prestigieus college in Ukkel. Het is ook onze plicht om het vanzelfsprekende te zeggen: miljarden mensen groeien op in armzalige omstandigheden zonder te radicaliseren. Beleid en instituties kunnen een rol spelen, maar het is verleidelijk in de val te trappen en de eigen verantwoordelijkheid van daders uit het oog te verliezen.
Als de leden van een bepaalde bevolkingsgroep sterker vertegenwoordigd zijn in criminaliteitscijfers, socialezekerheidsuitkeringen of wat dan ook, is het onverantwoord dat te negeren. Het gevaar dat daaruit verkeerde conclusies getrokken kunnen worden, betekent niet dat we er dan maar blind voor moeten zijn. Laten we ook beseffen dat consensus niet tegen elke prijs bereikt moet worden. Als de feiten niet beantwoorden aan wat een bepaalde intelligentsia ons wil doen geloven, ‘tant pis’ dan.We mogen niet in de val lopen dat het hanteren van cijfers automatisch gelijkstaat met stigmatiseringEen voorbeeld is het fenomeen van victimisatie, waarbij het gedrag van radicaliserende groepen praktisch verschoond wordt door de omstandigheden waarin ze opgroeien. Het blijkt allesbehalve de regel te zijn dat ze effectief systematisch in armoede opgroeien. De meest gezochte man van België liep zelfs school op een prestigieus college in Ukkel. Het is ook onze plicht om het vanzelfsprekende te zeggen: miljarden mensen groeien op in armzalige omstandigheden zonder te radicaliseren. Beleid en instituties kunnen een rol spelen, maar het is verleidelijk in de val te trappen en de eigen verantwoordelijkheid van daders uit het oog te verliezen.
Toekomst

Voor iedereen oprecht bezorgd om het open debat is het cruciaal te onderzoeken wat er gedaan kan worden om dit te vrijwaren. In de Verenigde Staten was een belangrijk discussiepunt dat sommige partijen een onevenredige grote toegang hadden tot gevestigde posities in de media. Het lijkt in elk geval een aandachtspunt dat journalisten zelf niet in grote mate steeds dezelfde overtuigingen delen.
Ook kan best in kaart gebracht worden in welke mate taboes allerhande ervoor zorgen dat bepaalde problemen dreigen verwaarloosd te worden. Zo is het gemakkelijk voor een opgeleid lid van de elite om neer te kijken op de angst voor het vreemde wanneer hij of zij vooral in contact komt met buitenlanders op een manier die vooral zijn kennis, netwerk en bevoorrechte positie versterken. Anderen in de maatschappij zijn helemaal niet zo irrationeel als ze schrik hebben dat hun job onder druk komt door concurrentie uit het buitenland of vanwege nieuwkomers met andere gewoontes waarbij ze helemaal niet vertrouwd zijn.

Je ziet het veel tegenwoordig. Een lid van het establishment laat zich neerbuigend uit over groepen in de bevolking die zich laten leiden door ‘populistische’ neigingen. Het is inderdaad verleidelijk je vanuit Europa meewarig uit te laten over het fenomeen Donald Trump in de Verenigde Staten. Maar de echte vraag is hoe het zover is kunnen komen.

Zou het kunnen dat diegenen die de voorbije decennia de macht uitoefenden zelf een grote verantwoordelijkheid dragen? Misschien loopt die verantwoordelijkheid zelfs tot vandaag?
Wordt het dan geen tijd dat de bevolking wat minder neerbuigend wordt benaderd en dat wordt toegegeven dat er voor goed bestuur veel lessen te trekken vallen? Goed besturen vergt andere talenten dan mooie retoriek. Dat werd recentelijk misschien door niemand beter aangetoond dan door de Amerikaanse president Barack Obama.

Werk maken van een cultuur van verantwoording en transparantie lijkt een cruciale eerste stap. Verontwaardiging kan ook een gezonde evolutie op gang brengen, als ze tenminste aanzet tot kritische zelfreflectie.

Becker, Lawrence C., Charlotte B. Becker, , Political correctness, Encyclopedia of Ethics, 1337-1340

Erkens and John Kane-Berman (eds), Political Correctness in South Africa. Johannesburg: South African Institute of Race Relations, 2000, p. 519.

Hughes, Geoffrey, Political correctness: A history of semantics and culture. Oxford: Wiley-Blackwell, 2010

Lessing, Doris, “Censorship and the climate of opinion", In Derek Jones (ed.), Censorship: A World Encyclopedia. London, 2001

Ravitch, Diane, "The Language Police: How Pressure Groups Restrict What Students Learn", 2003
 

vrijdag 19 augustus 2016

Elite

Migratie is een belangrijk onderdeel geworden van het maatschappelijk debat. Zij die het beleid voeren zijn echter door de band hooggeschoolden die in buurten wonen waar ze weinig in contact komen met het onderwerp van het debat.

Veel is al geschreven over de rol van de persoonlijke geschiedenis van Duits kanselier Angela Merkel bij haar positie. Als de facto belangrijkste politicus in het hedendaagse Europa krijgen haar overtuigingen uiteraard een ander gewicht dan wie dan ook. Toen zij haar befaamd statement maakte dat Duitsland 800.000 vluchtelingen wel aan kon, had dit dan ook een gigantische impact.

Stond zij voldoende stil bij het draagvlak hiertoe of deed dit er voor haar niet toe? Vaak wordt er verwezen naar haar opvoeding door haar vader, een dominee van Lutheraanse strekking en haar jeugd in Oost-Duitsland. Een opengrensbeleid voor meer dan een miljoen vluchtelingen zou daar dan de logische uitloper van vormen.

Moraalfilosofen benadrukken echter dat er een cruciaal verschil is tussen je eigen deur openzetten voor vluchtelingen dan wel je land een grote stroom vluchtelingen te laten accepteren. De concrete gevolgen van dit beleid wordt in disproportionele wijze ervaren door wie in armoedel leeft, in een verloederde buurt. De realiteit van botsende culturen, dagdagelijkse spanningen wordt ondergaan door hen die heel ver van de leefomgeving van Angela Merkel verwijderd zijn. Als mensen dan bang reageren, krijgen ze vaak een lawine van verwijten van xenofobie of racisme toegeslingerd. De elite die dit beleid besliste draagt nauwelijks iets van dergelijke gevolgen maar wordt wel humaan en kosmopolitisch betiteld. Het signaleren aan de goegemeente van je eigen kosmopolitisme wordt ongetwijfeld als een heldendaad gezien.

Oxfordeconoom Paul Collier argumenteerde recent dat heel het debat rond de vluchtelingencrisis onvoldoende onderbouwd verloopt. Collier is ook de econoom die in zijn boek (Exodus: how migration is changing the world) stelt dat een beetje migratie goed is voor een samenleving, maar te veel het onderlinge vertrouwen en de solidariteit kan ondergraven. Er wordt vaak nogal snel een intentieproces gemaakt van mensen die een voorzichtige houding aannemen tegenover een meer "genereuzere" aanpak van de vluchtelingenproblematiek. Zij die bijvoorbeeld onderlijnen dat het effectiever kan zijn om de vluchtelingen op te vangen in buurlanden van Syrië worden nogal eens onmiddellijk beschuldigd van racisme. Uiteraard mag het niet zomaar uitgesloten worden dat er minder behartenswaardige motieven meespelen. Anderzijds is het evengoed een instrumentaliseren van het debat als boude uitspraken vooral moeten signaleren dat we toch wel "goede mensen" zijn. Het werpt natuurlijk een heel ander licht op de zaak als je je afvraagt hoe we de vluchtelingen het best kunnen helpen, eerder dan onszelf hierbij zo goed mogelijk te voelen of voor te doen. Dan wordt het onvermijdelijk om onsympathieke analyses te maken. Zoals dat als we de Europese buitengrenzen niet bewaken er overal hekken zullen verschijnen binnen de EU. Zoals dat er een beperkte absorptiecapaciteit is en asielzoekers uit de Balkan geen beroep kunnen doen op het statuut van vluchteling. Als econoom maken we met de regelmaat van de klok mee dat beleidsmakers liever de realiteit negeren omdat die niet sympathiek genoeg oogt. In elk geval dienen we er meer bij stil te staan dat paraderen met ons geweten niet per se het meest gewetensvolle handelen impliceert

dinsdag 5 april 2016

sic transit gloria mundi

Veel van de beste politieke theorie die aan studenten wordt gedoceerd, werd niet geschreven door diegenen die slaagden maar faalden in de politieke praktijk. Cicero's schreef De Officiis over onze plichten en werd gedood door huurmoordenaars in opdracht van de Keizer. Hij wist bij leven al dat roem slechts tijdelijk is: "Ooit hield ik het roer van de staat in mijn handen, vandaag is er nauwelijks plaats voor me in het scheepsruim", schreef hij aan een vriend. 

Machiavelli schreef zijn werken nadat hij van de macht werd verwijderd in 1512, in de gevangenis werd gegooid, gefolterd en feitelijk verbannen. Hij vulde zijn dagen nadien met hout kappen in het woud en het spannen van vogelvallen. Van Edmund Burke werd gezegd dat hij nooit een zo goed politicus was als denker. James Madison schreef dan wel mee aan de Federalist Papers maar zijn periode als president werd allesbehalve als een groot succes beschouwd. 

Alexis de Tocqueville schreef met Democratie in Amerika dan wel een van de meesterwerken over het onderwerp, zelf deemsterde hij weg op de parlementsbanken waarbij hij bitter schreef over de idiote speeches van zijn collega-parlementsleden. Hij nam afscheid van de politiek in 1851 met afschuw. John Stuart Mill was een briljant observator en theoreticus van de politiek maar als een Member Of Parliament van 1865 tot 1868 vloekte hij vooral op de incompetentie van zijn collega's en werd verslagen in zijn tweede verkiezing. Max Weber kreeg zelfs geen nominatie als kandidaat voor de Democratische Partij in 1919. 

Terwijl een intellectueel en academicus impact kan oogsten met moed en duidelijkheid rendeert in de politieke praktijk eerder discretie en omfloerste taal.



vrijdag 25 maart 2016

Munt slaan


Overal waar er minderheden bestaan, zijn er ook zij die zich proberen op te werpen als leiders op een manier die aantoont dat ze geen zier geven om het lot van hun achterban maar er vooral persoonlijk munt uit proberen te slaan. Vaak presenteren ze een menu dat uit volgende elementen bestaat:

1. Verzekering dat hun achterstand niet hun fout is.
2. Verzekering dat hun achterstand de fout is van een groep die het beter doet en waarover reeds afgunst en verbittering bestaat.
3. Verzekering dat hun achterstand niets met de eigen cultuur van doen heeft, want a. alle culturen zijn toch gelijkwaardig in alle dimensies (cultuurrelativisme) b. de eigen cultuur is toch beter.

Dergelijke raciale of etnische leiders hebben er belang bij om de isolatie van de groep die ze willen leiden te versterken ondanks dat net die isolatie een belangrijke factor is in de achterstand. Ze spelen zo ook in de schaamte en vrees om in verlegenheid gebracht te worden door het feit dat ze als groep het blijkbaar maatschappelijk minder goed doen. In de Verenigde Staten zorgden dergelijke "leiders"  bijvoorbeeld voor wetgeving die oplegde dat latino-kinderen onderwijs moeten krijgen in de Spaanse taal, zelfs als hun ouders hen Engels leerden. Een voorbeeld waartoe dergelijke perverse prikkels voor "would be" leiders kan leiden, is de toestand in de Amerikaanse Indianenreservaten. Uiteraard zijn er gruwelijke historische verantwoordelijkheden van de blanke meerderheid tegenover de Indianen maar het is minstens zo belangrijk ook de ogen te openen voor de verantwoordelijkheid van hun huidige "leiders". 

Meer algemeen zijn er uiteraard voorbeelden waar de meerderheid een verantwoordelijkheid draagt voor de achterstand van een minderheid. Maar het is gevaarlijk te bezwijken voor het gemak van de conclusie dat de achterstand van de minderheid 'alleen' daarmee te maken heeft. De Romeinen gedroegen zich nogal eens verwerpelijk tegenover de Galliërs bij hun veroveringstochten, maar dat betekent niet dat de Romeinen de reden waren dat de Galliërs een culturele en economische achterstand kenden op dat moment. Er is plaats voor morele veroordeling maar zorgvuldigheid bij het vaststellen van causale verbanden is ook essentieel.

Buitensporige verwijten van racisme en discriminatie kunnen net zo weinig zoden aan de dijk zetten voor de groep die ze pretenderen te vertegenwoordigen als eisen dat voor hen onderwijsnormen verlaagd worden. Zaken die helaas een rode draad vormen in de "carrière" van dergelijke would-be leiders. De lat te laag leggen in onderwijs is nu net het ergste wat men de kinderen met een zwakke uitgangspositie kan aandoen.

Er zijn wel uitzonderingen van leiders die de verleiding overwonnen om voor het gemak te gaan van verwijten, al dan niet terecht, maar daarom niet productief.  Wie herinnert zich de woorden van Martin Luther King nog "We can't keep on blaming the white man. There are things we must do for ourselves".  Over hem kan dan ook gezegd worden dat leiders die anderen echt willen helpen, hen de waarheid vertellen terwijl leiders die vooral zichzelf willen helpen, hen enkel vertellen wat ze graag horen.

Waar we de ogen voor moeten openen, is dat het net erg rationeel kan zijn voor het eigenbelang van "would-be" leiders van groepen met achterstand om de verbittering van hun achterban te vergroten zelfs als dat niets bijbrengt aan het verbeteren van het lot van de groep. Voor dergelijke leiders is dat laatste niet zozeer lonend. Wat voor hen vooral rendeert, is het beeld creëren dat de welvaart van anderen afnemen, het enige is wat helpt. In extreme situaties gaat het zelfs niet enkel over het materieel afnemen maar ontspoort het tot het vernederen en zelfs fysiek bedreigen van de anderen.

Het bekampen van isolement en echte integratie is dan zelfs een bedreiging voor de positie van dergelijke "would be" leiders. In de Verenigde Staten is er een hele geschiedenis van zwarte leiders die jongeren beschuldigden van "acting white" enkel omdat ze bijvoorbeeld een goed traject volgden in het onderwijs. Of hoe sommigen alles te winnen hebben bij het verhinderen van culturele integratie.


maandag 28 december 2015

Slagschaduw van een professie

Vol moed beginnen nieuwe parlementairen aan een carrière. Ze hebben wel eens gehoord dat het parlement niet meer de baken vormt van democratie zoals in de handboeken beschreven, maar daar laten ze zich niet door tegenhouden. Als ze eerlijk zijn, moeten ze enkele jaren later toegeven dat van al hun hooggespannen verwachtingen weinig in huis is gekomen. Een belangrijk deel onder hen gaat daar echter niet onmiddellijk voor uitkomen. Het is toch wel zo comfortabel, het pluche.

Wat is er misgelopen? Voor een stuk heeft het uiteraard te maken met het feit dat het parlement helemaal niet meer zo centraal staat in de democratie. Dat het oorspronkelijke idee van 'checks and balances' vaak niet meer functioneert. Dat de particratie heerst op basis van een volgzame meerderheid in het parlement. Dat het parlement een stemmenmachine is die van elders zijn instructies krijgt. Ex-premier Herman Van Rompuy stelde dat 'Een parlementslid van de meerderheid moet zwijgen. En bij de oppositie heeft men zelfs niets te zeggen.' .Je zou denken dat de intellectuele elite hier schande over zou spreken, maar niets is minder waar. Dat de democratie uitgehold is, wordt nauwelijks opgemerkt. En vaak sluimert op de achtergrond een hautain misprijzen op het plebs. Bij links leeft vaak de idee dat meer betrokkenheid van de burger enkel ruimte zou scheppen voor de mondige hooggeschoolden. Met andere woorden, omdat er altijd wel een groep laaggeschoolden is die niet ingaat op inspraakmogelijkheden, moet je iedereen  die inspraak ontzeggen.

Bovenstaande diagnose zou nauwelijks controversieel mogen zijn. Het volgende zou dat wel kunnen zijn. De onderzoekers Datta en Nugent toonden in 1986 een sterk verband aan tussen economische groei en de juridisering van de maatschappij. Een negatief verband wel te verstaan. Voor elke percent punt toename in het aantal advocaten in de beroepsbevolking vonden ze een afname van de economische groei met 4,76%. Dit werd sindsdien nog meermaals bevestigd. Wat opvalt is hoe weinig juristen in staat zijn de economische gevolgen van hun werk in te schatten. De Soto (2000) stelt dat ze zo in staat zijn om vooruitgang te saboteren op een meer effectieve wijze dan terroristen, omdat ze weten hoe dat te doen met behulp van de wet. Zo fors zouden wij het niet formuleren maar het is wel nodig om de vaak impliciete invloed van het juridische bloot te leggen en het terug te brengen tot zijn gepaste rol als instrument om de maatschappij mee vorm te geven en niet als doel op zich.

In elk geval is het tijd om een aantal valkuilen bloot te leggen. Een daarvan is dat weinig juristen oog hebben voor de economische gevolgen van hun werk of ze alvast begrijpen. Een andere is dat er wetten afgekondigd worden die in de praktijk niet werken. Dit omwille van de constructiefout dat bij ontwerp van de wet men vaak blind is voor hoe de administratieve en sociale werkelijkheid functioneert.

Uiteraard is het een terechte opwerping dat dit niet eigen is aan het juridische. Dat de verwijten terug te brengen zijn tot een verkeerde hantering van het juridische. De meest briljante juristen geloven inderdaad dat de wet dient om de mens te dienen en niet andersom (net zoals goede economen wegen zoeken om de economie de mens te laten dienen in plaats van vice versa). We mogen echter niet blind zijn voor de realiteit dat te vaak het juridische beoefenen een neiging heeft tot antiquarianisme en juridische subtiliteiten gemakkelijk aangewend kunnen worden om politieke verkozenen ondergeschikt te maken aan zij die feitelijk enkel een rol hebben om beleid in een juridische vorm te gieten.

De bevolking heeft wel degelijk heel wat reden om een ongenoegen te ervaren bij hoe het beleid mismeesterd wordt. Dinosaurussen kunnen echter gemakkelijk verbetering blokkeren op basis van hun juridische handigheid. Daar heeft het volk echter geen boodschap aan.



(1) Samar K. Datta and Jeffrey B. Nugent, Adversary activities and per capita income growth, World Development, 1986, vol. 14, issue 12, pages 1457-1461

Kevin M. Murphy; Andrei Shleifer; Robert W. Vishny, The Allocation of Talent: Implications for Growth. . The Quarterly Journal of Economics, 1992, Vol. 107, p 503-530

Stephen P. Magee, William A. Brock and Leslie Young, Black Hole Tariffs and Endogenous Policy Theory: Political Economy In General Equilibrium. New York: Cambridge University Press, 1989.

(2) De Soto, Hernando. The Mystery of Capital: Why Capitalism Triumphs in the West and Fails Everywhere Else. Basic Books, 2000

Annex:

In Frankrijk was in 1881 41% van het parlement jurist, in 1906 was dit 37%. Theodore Zeldin: "But a legal education, of course was no stimulus to innovation or imagination. The skill of these lawyers was in effecting compromises, in acting as interpreters between classes and powers bringing a semblance of order in anarchaic situations. That is why they were so highly valued in the early years of the Third Republic. They helped to consolidate it... It was no accident that the proportion of lawyers in parliament fell after 1920: they were of less use when new challenges demanded change. A republic of lawyers was even less of a threat to established values and traditional ways of thought than a republic of professors. "(T. Zeldin, France 1848-1945, Politics and Anger", OUP, 1979


dinsdag 20 oktober 2015

Paraderen met ons geweten impliceert niet per se meer gewetensvol handelen

Uiteraard zijn er over deze materie heel veel perspectieven mogelijk. Hieronder enkele elementen van een invalshoek die minder aan bod komt. Dit is slechts een blog en heeft dus niet meer ambitie dan om enkele aspecten aan te raken.

Oxfordeconoom Paul Collier argumenteerde recent dat heel het debat rond de vluchtelingencrisis onvoldoende onderbouwd verloopt. Collier is ook de econoom die in zijn boek (Exodus: how migration is changing the world) stelt dat een beetje migratie goed is voor een samenleving, maar te veel het onderlinge vertrouwen en de solidariteit kan ondergraven. Er wordt vaak nogal snel een intentieproces gemaakt van mensen die een voorzichtige houding aannemen tegenover een meer "genereuzere" aanpak van de vluchtelingenproblematiek. Zij die bijvoorbeeld onderlijnen dat het effectiever kan zijn om de vluchtelingen op te vangen in buurlanden van Syrië worden nogal eens onmiddellijk beschuldigd van racisme. Uiteraard mag het niet zomaar uitgesloten worden dat er minder behartenswaardige motieven meespelen. Anderzijds is het evengoed een instrumentaliseren van het debat als boude uitspraken vooral moeten signaleren dat we toch wel "goede mensen" zijn. Het werpt natuurlijk een heel ander licht op de zaak als je je afvraagt hoe we de vluchtelingen het best kunnen helpen, eerder dan onszelf hierbij zo goed mogelijk te voelen of voor te doen. Dan wordt het onvermijdelijk om onsympathieke analyses te maken. Zoals dat als we de Europese buitengrenzen niet bewaken er overal hekken zullen verschijnen binnen de EU. Zoals dat er een beperkte absorptiecapaciteit is en asielzoekers uit de Balkan geen beroep kunnen doen op het statuut van vluchteling. Als econoom maken we met de regelmaat van de klok mee dat beleidsmakers liever de realiteit negeren omdat die niet sympathiek genoeg oogt.

Daar leek het handelen van de Duitse kanselier Merkel op een bepaald moment op toen ze eerst een boodschap uitzond die overkwam als "kom naar hier" maar dan moest terugkrabbelen. Ondertussen zijn er immers ongetwijfeld talloze havelozen die zich aan een gevaarlijk traject gewaagd hebben vanuit een misplaatst verwachtingspatroon.Vaak vergeven we dergelijke gevallen van lichtzinnigheid omdat we aanvoelen dat ze gepaard gingen met "goede intenties". Evengoed kunnen mensen echter ondertussen hun leven nodeloos in gevaar gebracht hebben. De voorbije jaren waren er nog incidenten zoals een oproep vanuit sommige Europese politici aan de bevolking van Ukraine om zich af te zetten tegenover Rusland waar dit misschien nog duidelijker geïllustreerd wordt. Vandaag worden vele discussies taboe verklaard. Misschien toch maar eens onderzoeken waarom Helmut Schmidt die nu postuum als visionair opgehemeld wordt, wel verklaarde dat "Die multikulturelle Gesellschaft ist eine Illusion von Intellektuellen."

Zoals Collier de vinger op de wonde legt inzake onze houding tegenover vluchtelingen, zo kan dit ook in een breder perspectief geplaatst worden. De moraalfilosoof Adam Smith maakte het onderscheid tussen de zogenaamde "aimabele" deugden zoals welwillendheid ('benevolence', gedreven om het lijden van anderen te verlichten) en de "respectabele" deugden zoals moed en zelfcontrole. Zij die Smiths werk "The  Theory of Moral Sentiments" kennen, weten dat het zeker niet zo is dat Smith de respectabele deugden (die sommigen associeren met de Griekse en Romeinse filosofen uit de Oudheid) boven de aimabele (eerder toegeschreven aan Christelijke inspiratie) plaatste. Wel benadrukt Smith om niet al te lichtzinnig te rekenen op de aimabele deugden omdat die in vele omstandigheden zwakker zijn. Relevant daarbij in de discussie rond de vluchtelingencrisis is Smiths analyse dat het medevoelen afneemt hoe groter de afstand is tussen onszelf en de betrokkene. Overbekend is Smiths verhaal over wat een drama zoals een aardbeving in China met ons doet in vergelijking met een persoonlijk ongemak (1).

Nu verdient een persoon niet per se lof om de wet niet te overtreden terwijl hij dat wel kan verdienen na daden van grootmoedigheid. Het inzicht dat dit niets afdoet aan het fundamentele van het recht als afdwingbare norm is echter cruciaal. Ook wijst Smith erop dat onze morele intuïties er soms naast zitten. Zo worden hedentendagen soms nogal gemakkelijk individuen, bedrijven of zelfs staten aan het kruis genageld in een proces van opgezweepte hysterie. Het belang dat Smith hecht aan prudentie staat buiten kijf. Het is echter een belangrijke nuance dat hij het onderscheid maakte tussen prudente mensen waarop beroep kan gedaan worden voor verantwoord gedrag in hun privaat leven (geassocieerd met zogenaamd Epicuriaanse prudentie) en hen aan wie een grotere verantwoordelijkheid kan toevertrouwd worden zoals een belangrijk organisatie in de private of publieke sfeer (geassocieerd met Aristoteliaanse prudentie). Zo kan het erg relevant zijn om het onderscheid te maken tussen individuen die vrijwillig hun huis openstellen voor vluchtelingen tegenover opiniemakers die stellen dat anderen dat moeten doen.

Opnieuw komt het erop neer realistisch te zijn over de menselijke natuur. Uiteraard kan het een leider betamen een moreel appel doen op ons medeleven.  Indien hij er echter lichtzinnig vanuit gaat dat er een draagvlak is wanneer dat feitelijk ontbreekt dan mogen we niet blind zijn voor het mogelijk onheil dat uit zijn of haar handelen volgt. Belangrijk is dat mensen met verantwoordelijkheid beseffen dat recht kan afgedwongen worden terwijl welwillendheid alleen aangemoedigd kan worden. Dat betekent overigens dat een leider er niet altijd voor terug deinst mensen uit hun mogelijke comfortzone te halen met een moreel appel. Een verantwoordelijk persoon staat wel stil bij het feit dat Benevolence, “is the ornament that embellishes, not the foundation that supports the building … Justice, on the contrary, is the main pillar ” (II.ii.) 

In elk geval dienen we er meer bij stil te staan dat paraderen met ons geweten niet per se het meest gewetensvolle handelen impliceert (2).  

Mijd simplismen over economische impact vluchtelingen

Her en der verschijnen ramingen van de economische impact van de vluchtelingen op de Duitse economie. Een typisch cijfer in die rapporten is een kwart procent extra groei op jaarbasis. Hoe komt zo’n cijfer tot stand? Het vertrekpunt zijn de extra uitgaven die de Duitse overheid moet maken om mensen op te vangen. Van huisvesting over kledij en voedsel tot onderwijs. Dit zou al een belletje moeten doen rinkelen. Dergelijke benadering is erg partieel en geeft niet per se verheldering. Noch voor het beleid, noch voor het publiek dat wil weten hoe dat de komst van 800.000 vluchtelingen doorwerkt in de maatschappij. De impact reduceren tot de extra vraag naar goederen en diensten op de korte termijn is logisch in de analyse van conjunctuurinstellingen. Die moeten een raming maken van de groei voor de volgende kwartalen. Vele vragen blijven echter onbeantwoord.

Zo ook bij de Japanse kernramp en tsunami van 2011. Economen zoals de voormalige hoofdeconoom van de Amerikaanse president waren er als de kippen bij: die ramp zou wel eens een grote stimulans kunnen zijn voor de Japanse economie. Uiteraard zijn er na zo’n gebeurtenis grote uitgaven die het nationale inkomen (zoals dat conventioneel wordt gemeten) een cyclische opstoot kunnen geven. Het kan geen kwaad om Frédéric Bastiats gebroken raamparabel in herinnering te brengen. Overal ramen inslaan is nog altijd geen goed idee, ondanks het extra werk voor de ramenmaker. Het geld had ook nuttiger besteed kunnen worden. Als de overheid 100 miljoen potloden koopt, leidt dit wellicht ook tot een cyclische opstoot maar als daarmee niets productief gedaan wordt, zal het vooral een verlies betekenen.Om niet in de val van te partiële analyse te vallen, doet de econoom er goed aan lessen te trekken uit gelijkaardige gebeurtenissen in het verleden.Er is blijkbaar een zekere druk om politici argumenten aan de hand te doen waarmee ze de weerstand bij de bevolking kunnen wegnemen zonder een beroep te moeten doen op humanitaire motieven. Zo stelt het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen dat de komst van vluchtelingen een zware last betekent voor het ontvangende land. Ramingen van de Duitse overheid komen uit op meer dan 8 miljard euro. ‘Korte’ economen focussen vooral op de vraagzijde. Een economische analyse die wat dieper wil gaan, heeft echter ook aandacht voor de aanbodzijde. In de mate dat de vluchtelingen actief de arbeidsmarkt betreden, zullen ze daar het aanbod verruimen. Dat kan leiden tot lagere lonen voor gelijkaardige al aanwezige groepen. De economische analyse toont ons dat dit ook tot winst kan leiden voor groepen die complementair zijn. In de mate dat vluchtelingen bijvoorbeeld knelpuntberoepen invullen, is dit netto winst voor iedereen.De kans dat er op die manier een batig saldo wordt geboekt, zal evident groter zijn in de boomende en vergrijzende economie van onze oostburen dan in Zuid-Europese lidstaten. Voor de absorptiecapaciteit speelt ook de relatieve omvang mee van de groep tegenover de ontvangende bevolking. In Europa is de track record van succesvolle arbeidsintegratie minder positief, gegeven de werkloosheid van zelfs tweede en derdegeneratiemigranten.

Zullen de vluchtelingen gemakkelijker een job vinden dan de huidige 2,8 miljoen Duitse werklozen? Volgens het Duits ministerie van werkgelegenheid heeft de helft van de Syrische vluchtelingen geen enkel diploma. Wel zou meer dan 15 procent hoger onderwijs hebben genoten. Vaak spreken ze echter slechts rudimentair Engels. Zo komt men tot de inschatting dat één op de tien onmiddellijk een job kan vinden. Dit vooral door het stelsel van mini-jobs, waardoor lage productiviteit niet hetzelfde obstakel vormt als bijvoorbeeld in ons land, met onze arbeidsfiscaliteit. Het probleem dat de arbeidsmarkt vooral de insiders beschermt die al een job hebben in Duitsland, wordt zo iets minder prangend.Er is blijkbaar een zekere druk om politici argumenten aan de hand te doen waarmee ze de weerstand bij de bevolking kunnen wegnemen zonder beroep te moeten doen op humanitaire motieven. De economische balans van vluchtelingen blijkt echter complexer dan gedacht.


PS: over de menselijke neiging om piramidebouwers te adoreren: http://ivandecloot.blogspot.be/2014/12/adam-smith-over-het-fenomeen-van-de.html 


(1) Smith: "Let us suppose that the great empire of China, with all its myriads of inhabitants, was suddenly swallowed up by an earthquake, and let us consider how a man of humanity in Europe, who had no sort of connection with that part of the world, would be affected upon receiving intelligence of this dreadful calamity. He would, I imagine, first of all, express very strongly his sorrow for the misfortune of that unhappy people, he would make many melancholy reflections upon the precariousness of human life, and the vanity of all the labours of man, which could thus be annihilated in a moment. He would too, perhaps, if he was a man of speculation, enter into many reasonings concerning the effects which this disaster might produce upon the commerce of Europe, and the trade and business of the world in general. And when all this fine philosophy was over, when all these humane sentiments had been once fairly expressed, he would pursue his business or his pleasure, take his repose or his diversion, with the same ease and tranquillity, as if no such accident had happened. The most frivolous disaster which could befall himself would occasion a more real disturbance. If he was to lose his little finger to-morrow, he would not sleep to-night; but, provided he never saw them, he will snore with the most profound security over the ruin of a hundred millions of his brethren, and the destruction of that immense multitude seems plainly an object less interesting to him, than this paltry misfortune of his own. To prevent, therefore, this paltry misfortune to himself, would a man of humanity be willing to sacrifice the lives of a hundred millions of his brethren, provided he had never seen them? Human nature startles with horror at the thought, and the world, in its greatest depravity and corruption, never produced such a villain as could be capable of entertaining it. But what makes this difference? When our passive feelings are almost always so sordid and so selfish, how comes it that our active principles should often be so generous and so noble? When we are always so much more deeply affected by whatever concerns ourselves, than by whatever concerns other men; what is it which prompts the generous, upon all occasions, and the mean upon many, to sacrifice their own interests to the greater interests of others? It is not the soft power of humanity, it is not that feeble spark of benevolence which Nature has lighted up in the human heart, that is thus capable of counteracting the strongest impulses of self-love. It is a stronger power, a more forcible motive, which exerts itself upon such occasions. It is reason, principle, conscience, the inhabitant of the breast, the man within, the great judge and arbiter of our conduct."


(2) Smith: "Man naturally desires, not only to be loved, but to be lovely; or to be that thing which is the natural and proper object of love. He naturally dreads, not only to be hated, but to be hateful; or to be that thing which is the natural and proper object of hatred. He desires, not only praise, but praiseworthiness; or to be that thing which, though it should be praised by nobody, is, however, the natural and proper object of praise. He dreads, not only blame, but blame-worthiness; or to be that thing which, though it should be blamed by nobody, is, however, the natural and proper object of blame.The love of praise-worthiness is by no means derived altogether from the love of praise. Those two principles, though they resemble one another, though they are connected, and often blended with one another, are yet, in many respects, distinct and independent of one another.The love and admiration which we naturally conceive for those whose character and conduct we approve of, necessarily dispose us to desire to become ourselves the objects of the like agreeable sentiments, and to be as amiable and as admirable as those whom we love and admire the most....The most sincere praise can give little pleasure when it cannot be considered as some sort of proof of praise-worthiness. It is by no means sufficient that, from ignorance or mistake, esteem and admiration should, in some way or other, be bestowed upon us. If we are conscious that we do not deserve to be so favourably thought of, and that if the truth were known, we should be regarded with very different sentiments, our satisfaction is far from being complete. The man who applauds us either for actions which we did not perform, or for motives which had no sort of influence upon our conduct, applauds not us, but another person. We can derive no sort of satisfaction from his praises. To us they should be more mortifying than any censure, and should perpetually call to our minds, the most humbling of all reflections, the reflection of what we ought to be, but what we are not....It is only the weakest and most superficial of mankind who can be much delighted with that praise which they themselves know to be altogether unmerited. A weak man may sometimes be pleased with it, but a wise man rejects it upon all occasions. But, though a wise man feels little pleasure from praise where he knows there is no praise-worthiness, he often feels the highest in doing what he knows to be praise-worthy, though he knows equally well that no praise is ever to be bestowed upon it. To obtain the approbation of mankind, where no approbation is due, can never be an object of any importance to him. To obtain that approbation where it is really due, may sometimes be an object of no great importance to him. But to be that thing which deserves approbation, must always be an object of the highest.To desire, or even to accept of praise, where no praise is due, can be the effect only of the most contemptible vanity. To desire it where it is really due, is to desire no more than that a most essential act of justice should be done to us.