zondag 11 november 2018
PC in jaren 30
DE GEVOLGEN VAN POLITIEK CORRECT DENKEN IN DE JAREN 30
In het verleden heb ik wel eens gezegd dat politiek correct denken met zich meebrengt dat men publiekelijk niet durft zeggen wat men privaat zegt. Recente lectuur over het interbellum suggereert me dat in een verdere fase kan ontaarden in “niet durven denken” om finaal uit te monden in “niet denken”. De ongeëvenaarde horror van de eerste wereldoorlog deed de elite van toenmalige opiniemakers overstag gaan naar een blind pacifisme. Heel opmerkelijk is te lezen hoe mensen die wezen op het gevaar van eenzijdige ontwapening weggezet werden als oorlogsstokers. Hierbij werden nauwelijks argumenten gebruikt maar het ging vooral om zichzelf te portretteren als grote mensenvrienden. Zowel in de Franse als Britse politiek werd bepleit dat door zelf te ontwapenen men Hitler en Mussolini zou dwingen dat voorbeeld te volgen. Franse schoolboeken werden in het interbellum zelfs herschreven waarbij het heldendom van de eigen gesneuvelden werd weggegomd en te vervangen door een narratief van slachtoffers aan beide zijden alsof er een moreel equivalent bestond tussen zij die Frankrijk binnenvielen en zij die het verdedigden.
Toen de nazi’s Polen binnenvielen maakte de Duitse bevelhebbers de analyse dat mocht Frankrijk toen aanvallen, Duitsland het geen dag had standgehouden gezien de concentratie van middelen aan het Oostfront. Historici schrijven over hoe Hitler zowel de publieke opinie als de stemming onder de elite in Frankrijk terecht had ingeschat. Terwijl Duitse generaals bevreesd waren voor de sterkte van het Franse leger op analyse van aantallen en bewapening maakte Hitler feitelijk de gok op de morele onmacht om weerstand te bieden.
De vermaarde filosoof Bertrand Russel definieerde patriotisme als de bereidheid om te doden en gedood te worden om triviale redenen. Het hoofd van de Franse socialisten, Léon Blum, argumenteerde dat de natie die zou ontwapenen geen risico liep omdat het moreel prestige dat men daaruit zou ontlenen het land onkwetsbaar maken voor agressie. De Britse Labour leider Attlee verklaarde in 1936 dat hun veiligheidsbeleid er eerder in bestond om te ontwapenen dan te bewapenen. Het is ook in die dagen dat je opiniestukken kon lezen in de kranten dat het worst case scenario van Duitser te moeten worden, toch niet zo erg was. Internationale ontwapeningsconferenties werden erg populair in de toenmalige Westerse democratieën.
Vandaag kunnen we in kaart brengen dat de leiders van Westerse democratieën door hun intelligentiediensten al vroeg op de hoogte waren van de Duitse bewapening. In plaats van zelf te bewapenen stopten ze echter vooral veel energie om hun eigen bevolking hierover in het ongewisse te laten. Churchill zou later zijn ontzetting beschrijven over Britse eerste minister Stanley Baldwin die in 1933 toegaf dat hij niet durfde oproepen tot bewapening omdat in het toenmalige intellectuele klimaat dat hem zeker de verkiezingen had gekost. “That a Prime Minister should avow that he had not done his duty in regard to national safety because he was afraid of losing the election was an incident without parallel in our parliamentary history[1].”
Hopelijk moet onze generatie niet zo’n fundamentele keuzen maken als toen. Er zijn veel redenen om politici te wantrouwen die weinig blijk geven van echt inzicht in de geschiedenis. Het verontrust ook dat weinig intellectuelen ooit hun eigen verantwoordelijkheid opgebiecht hebben om al dan niet door verbale welsprekendheid aan die fatale geschiedenis bijgedragen te hebben. Intellectuelen kunnen zich maar beter bewust zijn dat ze mee het klimaat bepalen waarin politici wel of juist niet handelen. En de kost van niet handelen kan soms vele malen groter zijn.
vrijdag 26 oktober 2018
Fortis gebeurtenissen
Gebeurtenissen betekent bepaalde gebeurtenissen die plaatsvonden in 2007 en 2008 met betrekking tot het beleid van Fortis en/of de communicatie van Fortis of het beweerdelijke gebrek daaraan met betrekking tot:
i. haar subprime-portefeuille, daaronder begrepen de exposure, waardering en afschrijvingen;
ii. de (informatie in de) trading update en het prospectus van respectievelijk 21 en 25 september 2007 en de claimemissie in 2007;
iii. het openbare bod op en de overname van ABN AMRO, waaronder de voorbereiding, financiering en integratie daarvan, en inclusief de beslissing om al dan niet de zogenoemde MAC-clausule in te roepen en het daaraan gerelateerde financiële beleid van Fortis;
iv. haar vermogenspositie en financiële beleid, daaronder begrepen haar solvabiliteitspositie (waaronder de zogenoemde "look-through solvabiliteit"), liquiditeitspositie, jaarrekening, prognoses en voorzieningen, haar inschatting van de crisis, evenals haar dividendbeleid;
v. de uitgifte van nieuwe aandelen door Fortis in juni 2008;
vi. haar communicatie met haar toezichthouders of het gebrek daaraan;
vii. de door de Europese Commissie verlangde maatregelen;
viii. de desinvesteringen in 2007 en 2008, waaronder de beoogde desinvestering van haar vermogensbeheeractiviteiten aan Ping An en de beoogde transactie met Vinci met betrekking tot lnterparking;
ix. alle activiteiten met betrekking tot Scaldis;
x. de riskantere aard van Fortis aandelen in 2007 en 2008;
xi. de opsplitsing van Fortis en de gebeurtenissen die daaraan voorafgingen, waaronder de voorbereidingen, onderhandelingen, beheer, documenten, besluiten, overeenkomsten, bestuursvergaderingen, overnamesommen, en inclusief afschrijvingen en desinvesteringen en afstotingen van activa en aandelen, met inbegrip van de transacties met de Nederlandse en Belgische staten BNP Paribas en de goedkeuringen met betrekking tot dergelijke gebeurtenissen, alsook de daaruit voortvloeiende tenuitvoerlegging van de opsplitsing in 2009; en
xii. het verstrekken van leningen, inclusief financiële bijstand, voor de overname van Fortis aandelen.
woensdag 24 oktober 2018
donderdag 26 juli 2018
Islam en economie
Er wordt vandaag over weinig onderwerpen meer gediscuteerd
dan over de islam. Een onderwerp dat echter minder aanbod komt is de
economische performantie van moslimlanden. Nochtans bestaat er een uitgebreide
wetenschappelijke literatuur ter zake.
Tot de late jaren 1990 stonden de meeste analyses over de islam en economische performantie op het actief van niet-economen. Vaak erg boeiend maar weinig op empirische studie gebaseerd. Dit impliceert dat er heel veel theorieën bestaan die niet getoetst werden op basis van rigoureuze (ook kwantitatieve) analyse. Zonder in het andere extreem te vervallen door de limieten van deze methodes te negeren, werpen we toch graag een blik op de resultaten van deze empirische studies omdat ze vaak minder aan bod komen in het debat.
Er zijn dus studies gemaakt over onderwerpen zo verscheiden als de impact van de pelgrimstocht naar Mekka op de attitudes van de pelgrims, van de Ramadan op de productiviteit, van dat Zakat als belasting, van islamitische liefdadigheidsinstellingen, van islamitisch bankieren (cf. intrestverbod), islamitisch onderwijs (bv. madrasa). Voor een bespreking hiervan verwijzen we naar uitgebreide literatuurstudies[i]. In dit kort bestek zullen we ook ons enkel toeleggen op brede analyses over de economische evolutie van moslim-gedomineerde maatschappijen.
Laten we beginnen met enkele cijfers op een rij te zetten. Het gemiddeld inkomen per hoofd van de 57-landen tellende Organisation of Islamic Cooperation bedroeg in 2014 een 10.015 dollar tegen 42.216 dollar voor de OESO-landen. Merken we op dat de armste landen op de wereld overwegend niet-moslimlanden telt. Ook op maatstaven als alfabetisering, levensverwachting en de samengestelde Human Development Index scoren moslimlanden fors lager dan het wereldgemiddelde laat staan dan de OESOlanden.
Waarden als economische fundamenten
Eerder schreef ik een bijdrage[ii]
over de band tussen de Westerse waarden en de economische performantie van
Westerse landen. Dat stuk verscheen in het boek “De Verlichting uit evenwicht”
en inderdaad komt de evidentie aan bod rond het belang van de
Verlichtingswaarden voor onze welvaart. Evengoed lag de nadruk echter op het
feit dat de wortels daarvan al veel vroeger opgespoord kunnen worden. Met name
kwamen de politieke instituties aan bod van de Italiaanse stadstaten in de 12
de eeuw na Christus die de absolute macht van de heerser aan banden wisten te
leggen. Uiteindelijk is het een historisch proces waarbij de Romeinse
wettelijke traditie zijn weg vond naar het heden waarbij individualisme, de rol
van corporaties, de cruciale functie van markten en de legitimiteit van wetten
gemaakt door de mens centraal kwamen te staan in de Westerse maatschappelijke
ordening.
Er is bijvoorbeeld heel wat evidentie over de relatie tussen de rechtsstaat en de economische groei. Mechanismen die eigendomsrechten beschermen, oprichting van bedrijven faciliteren en de handhaving van contracten verzekeren, blijken fundamenteel. De combinatie van instituties, regels, normen en organisaties van een land maken samen het sociale model uit. Het belang van de Westerse waarden en normen van zelforganisatie, de rechtsorde, de legitimiteit van het meerderheidsstelsel, respect voor minderheden, individualisme en vertrouwen tegenover niet-bloedsverwanten is dus wetenschappelijk ondertussen stevig onderbouwd. En dan speelt het zelfversterkende effect van de geschiedenis. Hoe langer een land ervaring heeft met democratische proces, des te stabieler de democratie wordt en hoe meer economische welvaart verankerd geraakt.
Lange persistentie
Op het vlak van dat vermelde vertrouwen scoren moslimlanden
al merkelijk zwakker. Volgens de World Values Survey antwoorden daar slechts
28% dat “de meeste mensen vertrouwd kunnen worden” tegen bijvoorbeeld 46% in
Europese landen[iii].
Het gaat over een vertrouwen dat ons in staat stelt te handelen met mensen van
buiten onze familiekring, zeg maar vreemden[iv].
Experimenten hebben aangetoond dat hierdoor een “laag-vertrouwensevenwicht”
ontstaat met vele gevolgen. Een daarvan is dat wederzijds voordelige
economische transacties verhinderd worden[v].
Het kan geargumenteerd worden dat het honderden jaren (tot duizend jaar) heeft
geduurd vooraleer dit sociaal kapitaal in Europa opgebouwd werd. Dit betekent
enerzijds dat we ons terughoudend moeten opstellen tegenover deterministische
visie maar anderzijds ook kritisch verhouden tegenover de maakbaarheid van het
fundamentele sociaal weefsel.
De literatuur bevat fascinerende bevindingen inzake wat bekend staat als “lange persistentie”fenomenen waarbij instituties van honderden jaren oud huidige situaties verklaren. Zo kan een verband gelegd worden tussen het welvaartsverschil vandaag tussen Noord- en Zuid-Italië en de politieke instituties zoals de stadstaten in het Noorden en de Byzantijnse en later Bourbon-dominantie in het Zuiden. Studie toont zo dat vroegere Ottomaanse heerschappij samenhangt met een lagere ontwikkeling op een aantal financieel-economische indicatoren[vi].
Onderzoekers verwijzen daarbij niet alleen naar het intrestverbod dat in de islam langer effectief werkte maar ook de rol van “waqfs” die niet dezelfde flexibiliteit kennen als Westerse corporaties om ondernemingszin te faciliteren. Ook wordt een invloed toegeschreven aan de lagere autonomie van steden in het Midden-Oosten in vergelijking met Europa in de cruciale ontwikkelingsperiode[vii]. Dit werd gekristalliseerd in de rol van de “kadi” of belastingsambtenaar van de Sultan die dus meer diens belang behartigde dan van de steden. Het islamitisch recht droeg volgens studies bij aan onvoldoende gelijkmatige ontwikkeling van de kwaliteit van landbouwgrond[viii].
We hebben al gewezen op het belang van de rechtstaat als fundamentele factor voor welvaartsontwikkeling. Dat vandaag zelfs in Saudi-Arabië en Iran in economische zaken vaak een variant van Westerse rechtsregels gebeuren, wijst op deficiënties van oudsher op dat vlak. Verschillende auteurs schoven dan weer de thesis naar voren van de wetenschappelijke neergang die ze toetsten via ambitieuze kwantificeringsoefeningen.
Zo onderzochten ze alle werken van voor 1850 in de Harvard Library collectie en rapporteerden ze dat de bijdrage van moslimauteurs daalde van 12% tussen 900 en 1100 naar slechts 2% tegen 1700. Geografische analyse levert op dat de neergang begon in Iran in de 12de eeuw.
Chaney[ix] suggereerde de invloed daarop van de zogenaamde “Sunni heropleving” die geestelijken aanzette om religieuze werken te promoten ten koste van wetenschappelijke werken. Ook geeft hij aan dat in de periode 900-1100 slechts 4% van de boeken in de Harvard collectie geschreven werden door een auteur gelinkt aan een madrasa tegen 40% in 1300-1400. Opnieuw zou de rol spelen van de “waqf” die de madrasa oplegt te functioneren volgens de wensen van de stichter terwijl Westerse universiteiten zich gemakkelijker kunnen ontplooien door hun grotere autonomie.
Historische bronnen van autoritair bestuur
In eerder werk toonden we het belang van democratische waarden aan voor de economische ontwikkeling. Het is geen verrassing dat landen met moslimmeerderheid minder democratisch zijn en aangetoond werd dat dit niet toegewezen kan worden aan de factor olie.
Een beruchte hypothese was dat de link tussen de huidige graad van democratisering (of gebrek eraan) en de veroveringen tijdens de eerste Islamitische eeuwen.
Chaney[x] zelf zoekt de verklaring daarvoor in de heerschappij van de veroverde gebieden met legers en bureaucraten voornamelijk bestaande uit slaven. Deze hadden weinig binding met de lokale elites waardoor deze laatste zich moeilijker ontwikkelden tot lokale aristocratie zoals in het Westen. In het Westen werd de vorst immers gedwongen met hen tot een machtsevenwicht te komen wat cruciaal was in het terugdringen van het absolutisme in onze contreien. Platteau[xi] heeft in verschillende werken zijn analyse uitgewerkt in welke mate het eb en vloed van de machtsstrijd tussen geestelijken en de staat periodes opleverde van emancipatie afgelost door periodes van meer “religieuze puurheid”. De civiele maatschappij heeft volgens hem nooit dezelfde rol kunnen spelen die in het Westen leidde tot het loslaten van het traditionalisme.
Uitleiding
Klassiek zijn de "Oriental studies" die grote visies uitwerkten op basis van grote historische interpretatie. Wat de moderne analyse daaraan toevoegt is op zoek gaan naar unieke datasets en deze rigoureus hanteren om bepaalde hypotheses te testen. Wat wel opgemerkt wordt over de "Islamic and Middle Eastern studies" is dat deze vaak niet kritisch keken naar de (economische) impact van bepaalde instituties omdat dit wel eens kon leiden tot geen academische ‘toegang’ meer krijgen tot bepaalde regimes… Onderzoekers stellen vandaag bijvoorbeeld dat de neergang van de wetenschap door de Mongoolse invasie weerlegd kan worden. Alternatieve verklaringen waren echter lang niet verteerbaar…Scepticisme is een gezonde houding maar struisvogelpolitiek niet.
Het is niet omdat er kritische analyses gemaakt worden over ‘waqfs’ en andere mosliminstituties dat die geïnterpreteerd moeten worden als het volledig verwerpen ervan. Net zoals de gilden in het Westen waren dergelijke instituties in moslimlanden vaak lang erg functioneel maar begonnen later als een handicap te werken.
[i] Kuran,
Timur, Islam and Economic Performance: Historical and Contemporary Links,
Journal of Economic Lterature, 2018. We confronteren de bevindingen in deze
literatuurstudie met werk in voetnoot ii en iv.
[ii]
Ivan Van de Cloot, Waarden als economische fundamenten, in De Verlichting uit
Evenwicht, Van Halewyck, 2016.
[iii] Bohnet,
Iris, Benedikt Herrmann, and Richard Zeckhauser. 2010. “Trust and Reference
Points for Trustworthiness in Gulf and Western Countries.” Quarterly Journal of
Economics 125 (2): 811-28.
[iv]
Zie ook Ivan Van de Cloot, “De economische discipline: concurrentie én
coöperatie “ in “De mythe van de ik-dentiteit”, 2016
[v] Binzel,
Christine, and Dietmar Fehr. 2013. “Social Distance and Trust: Experimental
Evidence from a Slum in Cairo.” Journal of Development Economics 103 (July):
99-106.
[vi] Grosjean,
Pauline. 2011. “The Institutional Legacy of the Ottoman Empire: Islamic Rule
and Financial Development in South Eastern Europe.” Journal of Comparative
Economics 39 (1): 1-16.
[vii] Bosker,
Maarten, Eltjo Buringh, and Jan Luiten van Zanden. 2013. “From Baghdad to
London: Unraveling Urban Development in Europe, the Middle East, and North
Africa, 800-1800.” Review of Economics and Statistics 95 (October): 1418-37.
[viii]
Michalopoulos, Stelios, Alireza Naghavi, and Giovanni Prarolo. 2016. “Islam,
Inequality, and PreIndustrial Comparative Development.” Journal of Development
Economics 120 (1): 86-98
[ix] Chaney,
Eric. 2016. “Religion and the Rise and Fall of Islamic Science.” Working paper,
Harvard University.
[x] Chaney,
Eric. 2012. “Democratic Change in the Arab World, Past and Present.” Brookings
Papers in Economic Activity 42 (Spring): 363-414.
[xi] Platteau,
Jean-Philippe. 2001. Institutions, Social Norms, and Economic Development. Amsterdam:
Harwood. Platteau, Jean-Philippe. 2008. “Religion, Politics, and Development:
Lessons from the Lands of Islam.” Journal of Economic Behavior and Organization
68 (2): 329-51. Platteau, Jean-Philippe. 2011. “Political Instrumentalization
of Islam and the Risk of Obscurantist Deadlock.” World Development 39 (2):
243-60. Platteau, Jean-Philippe. 2017. Islam Instrumentalized: Religion and
Politics in Historical Perspective. New York: Cambridge University Press
Abonneren op:
Posts (Atom)

